Feedback oefenbetoog

W26
Opdrachten argumenteren (GC)

Oefenbetoog

Toets betoog  10/01)

Lezensles

Handelingsdelen




1 / 64
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 64 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

W26
Opdrachten argumenteren (GC)

Oefenbetoog

Toets betoog  10/01)

Lezensles

Handelingsdelen




Slide 1 - Tekstslide

Vandaag

 Tips betoog

Oefenbetoog afmaken en inleveren









Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Schrijfvaardigheid: betoog
Instructie betoog

Oefenbetoog

Toets betoog: 13 december

SE betoog: 24 januari 

Slide 4 - Tekstslide

Welke titel is het best?
A
Zomertijd onze dood?
B
De wintertijd is de beste optie
C
Wat een strijd, zeg nee tegen de zomertijd.
D
Koude of warme tijd?

Slide 5 - Quizvraag

Waarom is de titel 'Koude of warme tijd?' niet zo geschikt?

Slide 6 - Tekstslide

Waarom is de titel 'Koude of warme tijd?' niet zo geschikt?

Het onderwerp is niet duidelijk.
Er staat geen mening in de titel.

Slide 7 - Tekstslide

Waar mag een titel van een betoog niet mee eindigen?
A
een punt
B
een werkwoord
C
een zelfstandig naamwoord
D
een vraagteken

Slide 8 - Quizvraag

Titel
Eindig je titel niet met een punt (want geen enkele titel eindigt met een punt).
Niet op een vraagteken (want je probeert je publiek te overtuigen).

Slide 9 - Tekstslide

Welk woord is slim om in je titel van je betoog te verwerken?
A
moeten
B
mogen
C
morgen
D
later

Slide 10 - Quizvraag

Nederland moet kiezen voor permanente wintertijd

De wintertijd moet de vaste tijd worden

De wintertijd moet boven de zomertijd worden gekozen

Slide 11 - Tekstslide

Wat is géén doel van de inleiding van een betoog?
A
aandacht trekken
B
argumentatie geven
C
standpunt verwoorden
D
onderwerp introduceren

Slide 12 - Quizvraag

Titel
Is het onderwerp duidelijk?
Is het duidelijk dat ik een betoog lees? (mening, 'moeten')

Slide 13 - Tekstslide

Inleiding

Begint de tekst met een leeslokker?
Wordt er verteld wat de aanleiding is van de keuze tussen zomer- en wintertijd? 
Staat in de laatste zin het standpunt? 'Ik vind dat we moeten kiezen voor permanente invoering van de wintertijd.' 

Slide 14 - Tekstslide

Wat vind je van deze leeslokker?

'We kennen allemaal de zomer- en de wintertijd.'
😒🙁😐🙂😃

Slide 15 - Poll

Wat vind je van deze leeslokker?
'De Europese Unie vindt dat iedere lidstaat een keuze moet maken tussen permanente zomer- of wintertijd.'
😒🙁😐🙂😃

Slide 16 - Poll

Wat vind je van deze leeslokker?
'Heb je liever dat je in het donker naar huis moet fietsen of dat het elke dag een uurtje langer licht is?'
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Poll

Wat voor standpunt is 'Ik vind dat we moeten kiezen voor permanente invoering van de wintertijd'?
A
positief standpunt
B
negatief standpunt
C
standpunt van twijfel

Slide 18 - Quizvraag

Kern
Drie alinea's met argumenten?
Eén alinea met tegenargument en weerlegging?
Beginnen alinea 2, 3 en 4 met een signaalwoord van opsomming? 

Slide 19 - Tekstslide

Welke signaalwoorden van opsomming ken je

Slide 20 - Tekstslide

Argumentatie
Ten eerste zou het met de permanente invoering van de zomertijd in de winter pas om 9:50 uur licht worden in Amsterdam.

Daarnaast zijn de avonden in de zomer toch al lang genoeg, dus daar hoeven we het niet voor te doen.

Ten slotte raakt je biologische klok in de war en dat levert de permanente invoering van de zomertijd verschillende gezondheidsproblemen op.

Slide 21 - Tekstslide

Wat voor argument is: 'Ten eerste zou het met de permanente invoering van de zomertijd in de winter pas om 9:50 uur licht worden in Amsterdam'?
A
feitelijk
B
waarderend

Slide 22 - Quizvraag

Wat voor argument is: 'Daarnaast zijn de avonden in de zomer toch al lang genoeg, dus daar hoeven we het niet voor te doen'?
A
feitelijk
B
waarderend

Slide 23 - Quizvraag

Waarderend argument
Over een waarderend argument kun je van mening verschillen, over een feitelijk argument niet. Een
waarderend argument moet daarom vaak ondersteund worden.

Slide 24 - Tekstslide

Met een tegenargument ontkracht je een standpunt.
A
juist
B
onjuist

Slide 25 - Quizvraag

Tegenargument en weerlegging

Met een tegenargument ontkracht je een standpunt; met een weerlegging ontkracht je een argument.

Slide 26 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging

Daarentegen blijkt uit een enquete dat 44% van de respondenten voor de zomertijd kiest (terwijl slechts 38% kiest voor de wintertijd). Maar twee derde van de respondenten blijkt uit Duitsland te komen en dus is dit onderzoek niet representatief voor Nederland. 

Slide 27 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging

Voorstanders van de zomertijd geven vaak als argument dat je niet iets anders moet doen dan je buren. Dat zou echter betekenen dat alle landen in de wereld dezelfde tijd zouden krijgen. 

Slide 28 - Tekstslide

Wat is géén functie van het slot van een betoog?
A
samenvatten
B
concluderen
C
nieuwe informatie geven
D
aantrekkelijk afsluiten

Slide 29 - Quizvraag

Slot
Begint het slot met de conclusie: 'Ik vind dus dat we moeten kiezen voor permanente invoering van de wintertijd.' 

Worden de drie argumenten herhaald (samenvatting): ten eerste, daarnaast, ten slotte...?

Eindigt de tekst met een uitsmijter

Slide 30 - Tekstslide

Wat vind je van deze uitsmijter?

'Dus ik zeg: Nederland, kies voor permanente wintertijd.'
😒🙁😐🙂😃

Slide 31 - Poll

Wat vind je van deze uitsmijter?

'Laat je dus niet door de Duitsers de duisternis in lullen.'
😒🙁😐🙂😃

Slide 32 - Poll

Let op:
Schrijf je tekst in eigen woorden. 
Neem dus geen tekst letterlijk over uit de artikelen. 
Citeren mag wel (met mate).

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Video

Spelling en formulering
spelling
interpunctie (HOOFDLETTERS, punten)
formulering (woordkeuze: 'u')

Slide 35 - Tekstslide

Formuleer zorgvuldig
helder
duidelijk
juist

Slide 36 - Tekstslide

Citeren
"Zet de geciteerde tekst tussen aanhalingstekens," aldus mevrouw Temminck, docent Nederlands.  

Zorg dat duidelijk is wie de geciteerde persoon is.

Zorg voor een juiste bronvermelding: auteur, bron en datum

Slide 37 - Tekstslide

Bronvermelding
"Zet de geciteerde tekst tussen aanhalingstekens," aldus mevrouw Temminck, docent Nederlands (A. Temminck, Volkskrant, 1 december 2020).
"Zet de geciteerde tekst tussen aanhalingstekens," aldus mevrouw Temminck, docent Nederlands in de Volkskrant van 1 december 2020.
"Zet de geciteerde tekst tussen aanhalingstekens," aldus mevrouw Temminck, docent Nederlands. * 
*A. Temminck, Volkskrant, 1 december 2020


Slide 38 - Tekstslide

Onjuiste argumentatie
Aan de andere kant zorgt het kiezen van de wintertijd in de zomer er wel voor dat jou zomer er wellicht iets anders uit gaat komen te zien. Zo heb je bijvoorbeeld een uurtje langer over om naar school te gaan. 

Slide 39 - Tekstslide

Wat klopt er niet? "Ondanks al deze feiten heeft toch 44% van de Nederlandse bevolking gestemd op het invoeren van de zomertijd."

Slide 40 - Open vraag

Welk woord is onjuist gespeld? "Als we beter kijken naar deze enquête, is het grootste gedeelte ingevuld door duitsers."

Slide 41 - Open vraag

Welk woord is onjuist gespeld? "We lopen tijdens de zomertijd zelfs 2 uur voor op Engeland."

Slide 42 - Open vraag

Welk woord is onjuist gespeld? "Invoering van de zomertijd kan lijden tot ontregeling van je biologische klok."

Slide 43 - Open vraag

Wat klopt er niet aan deze leeslokker: "Wie wil dat nou niet, een uurtje langer slapen?"

Slide 44 - Open vraag

Welk woord is onjuist gespeld? "44% van de Nederlanders wilt liever zomertijd."

Slide 45 - Open vraag

willen
Willen is bijna regelmatig in de tegenwoordige tijd, maar de derde persoon enkelvoud is een uitzondering. Anders dan bij bijna alle andere werkwoorden geldt de regel stam + t hier niet. Het is dus: 
hij wil
zij wil
men wil
Sophie wil
het Nederlandse volk wil
enzovoorts

Slide 46 - Tekstslide

Je publiek bestaat uit Volkskrantlezers. Hoe spreek je de lezer dus aan?
A
met jij
B
met u

Slide 47 - Quizvraag

Welk woord is onjuist gespeld? "Als je meer onderzoek gaat doen, lees je dat deze theorie ook nog is wordt betwijfeld."

Slide 48 - Open vraag

Wat ontbreekt er in deze inleiding: "De zomertijd is slecht voor ons, zeggen deskundigen. Ik vind dat de zomertijd moet verdwijnen."

Slide 49 - Open vraag

Wat ontbreekt er in de volgende zin: "Zomer en wintertijd, elk half jaar wordt er weer tussen gewisseld."

Slide 50 - Open vraag

Wat klopt er niet aan de volgende zin: 'S avonds zijn mensen een stukje minder oplettend.

Slide 51 - Open vraag

Wat klopt er niet? "Dit zorgt er dus voor dat het én druk én donker is. Wat voor heel wat meer ongelukken zal zorgen."

Slide 52 - Open vraag

Slide 53 - Video

Wat gaat er mis in de volgende zin? "Uit een onderzoek blijkt dat 44% van de bevolking voor een permanente zomertijd kiest en 38% voor een permanente wintertijd. Ik denk dat dit een domme keus is van hen."

Slide 54 - Open vraag

Waarom is de titel 'Zomertijd in de winter' niet zo geschikt voor een betoog?

Slide 55 - Open vraag

Wat gaat er mis in de volgende zin: "Ten derde Nederland zit al in een niet-natuurlijke tijdzone."

Slide 56 - Open vraag

Inversie
Er is sprake van inversie als in een zin het onderwerp achter de persoonsvorm staat: Volgende week gaan (pv) wij (o) op vakantie. 

Je moet inversie gebruiken als:
- de zin met een zinsdeel begint dat geen onderwerp is (Ten eerste, daarnaast, ook...)
- de zin een vraagzin is
- de zin met een bijzin begint (samengestelde zin)

                                          

Slide 57 - Tekstslide

Juist is dus:
Ten derde zit Nederland al in een niet-natuurlijke tijdzone.

Na een dubbele punt volgt géén inversie. Dus je zou ook kunnen zeggen:
Ten derde: Nederland zit al in een niet-natuurlijke tijdzone.

Slide 58 - Tekstslide

Wat ontbreekt er in deze vijfde alinea?

"Daarentegen kiest de bevolking wel voor de zomertijd. Uit de enquête bleek dat 44% koos voor de zomertijd en38% voor de wintertijd. 

Slide 59 - Tekstslide

Weerlegging
Als een tegenargument niet wordt opgevolgd door een weerlegging, maak je je betoog zwak en verlies je veel punten.

Slide 60 - Tekstslide

Is dit een goede leeslokker?
"Met de zomertijd in de winter wordt het pas om 9:50 licht. Moeten we dat wel willen?" 

Slide 61 - Tekstslide

Op deze manier val je meteen met de deur in huis. Beter is om de lezer met een vraag of anekdote de tekst 'in te lokken'.
Heeft u er ook zo'n hekel aan om in de winter in het donker naar werk of school te vertrekken?"

Slide 62 - Tekstslide

Is dit een goede uitsmijter?
"Ik hoop jullie te hebben overtuigd en dat jullie kiezen voor permanente wintertijd." 

Slide 63 - Tekstslide

Je betoog moet overtuigen, maar hoeft niet te activeren. (Er hoeft niet gestemd te worden door de lezer.) Beter is het om je standpunt nog eens kort en krachtig te onderstrepen:
"Dus kom maar op met die permanente wintertijd." 

Slide 64 - Tekstslide