H9 - 9.4 rekenen met procenten

9.4 Rekenen met procenten
Bladzijde 76
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

9.4 Rekenen met procenten
Bladzijde 76

Slide 1 - Tekstslide

Even herhalen! Deze percentages horen bij de volgende breuken: 1/10 - 1/5 - 1/4 - 1/2

Slide 2 - Woordweb

Aan het einde van de les

- Ik weet bij de percentages 10% - 20% - 25% en 50% door welk getal ik moet delen om tot een antwoord te komen.

- Ik kan bij de percentages 10% - 20% - 25% en 50% van iets uitrekenen door te delen. 


Slide 3 - Tekstslide

Rekenen met procenten
Als je 10% - 20% 25% of 50% van iets wilt uitrekenen, moet je weten door welk getal je moet delen.


10% - delen door 10
10% van 30 centimeter
30 : 10 = 3
20% - delen door 5
20% van 50 euro
50 :  5 = 10
25% - delen door 4
25% van 80 auto's
80 :  4 = 20
50% - delen door 2
50% van 12 leerlingen
12  :  2 = 6

Slide 4 - Tekstslide


10% = delen door...
A
delen door 2
B
delen door 4
C
delen door 5
D
delen door 10

Slide 5 - Quizvraag


20% = delen door...
A
delen door 2
B
delen door 4
C
delen door 5
D
delen door 10

Slide 6 - Quizvraag


25% = delen door...
A
delen door 2
B
delen door 4
C
delen door 5
D
delen door 10

Slide 7 - Quizvraag


50% = delen door...
A
delen door 2
B
delen door 4
C
delen door 5
D
delen door 10

Slide 8 - Quizvraag

Slide 9 - Tekstslide

Uitrekenen met procenten
De batterij is voor 20% vol. Een volle batterij gaat 40 uur mee.
Hoeveel uur gaat de batterij nog mee?

1. Schrijf op door welk getal je moet delen (kijk naar het percentage).
2. Wat is nu de som? 
3. Hoelang gaat de batterij nog mee?




Slide 10 - Tekstslide

Ferry spaart voor een vakantie. Hij heeft 10% van de €300 gespaard.
Door welk getal moet je delen?
A
delen door 2
B
delen door 4
C
delen door 5
D
delen door 10

Slide 11 - Quizvraag

Ferry spaart voor een vakantie. Hij heeft 10% van de €300 gespaard.
Welke som moet je nu uitrekenen?
A
300 : 2
B
300 : 4
C
300 : 5
D
300 : 10

Slide 12 - Quizvraag

Aan de slag!
Maak 9.4 + Test Jezelf 
Bladzijde 76 t/m 95

Klaar?
Oefenwerkblad halen bij mij

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht 27 blz. 82
Quinten heeft 20% van een cadeaukaart van €50 uitgegeven.
Hoeveel euro van de cadeaukaart heeft Quinten uitgegeven?

Stap 1. Teken een strook

Slide 14 - Tekstslide

Opdracht 27 blz. 82
Quinten heeft 20% van een cadeaukaart van €50 uitgegeven.
Hoeveel euro van de cadeaukaart heeft Quinten uitgegeven?

Stap 2. Zet een streep op ongeveer de juiste plaats in de strook
Schrijf het percentage boven de strook

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 27 blz. 82
Quinten heeft 20% van een cadeaukaart van €50 uitgegeven.
Hoeveel euro van de cadeaukaart heeft Quinten uitgegeven?

Stap 3 Reken uit en schrijf het antwoord onder de strook

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht 33 blz. 91
Rachida koopt de boormachine en krijgt 20% korting.
Hoeveel moet Rachida betalen?

Stap 1 Teken een strook. Zet een streep op ongeveer de juiste plaats.
Schrijf de percentages boven de strook
Schrijf de 0 en het totaal onder de strook

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht 33 blz. 91
Rachida koopt de boormachine en krijgt 20% korting.
Hoeveel moet Rachida betalen?

Stap 2 Reken de korting uit

Stap 3 Trek de korting af van de prijs

Slide 18 - Tekstslide