Rekenen in de winkel

Rekenen met geld - 
opdrachten
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
RetailPraktijkonderwijsLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Rekenen met geld - 
opdrachten

Slide 1 - Tekstslide

Wat ga je doen?
Je krijgt hierna een aantal opdrachten waarin je gaat rekenen met geld. 
Er komen verschillende onderdelen aan bod.
Kijk en lees goed voordat je een antwoord geeft... Gebruik pen en papier om dingen op te kunnen schrijven. 
Succes!

Slide 2 - Tekstslide

Je staat bij de kassa van een supermarkt en je hebt de volgende boodschappen.
Hoeveel moet je nu afrekenen?

Slide 3 - Open vraag

concurrentie
Wanneer 2 of meer bedrijven strijden om de beste positie in de markt.

De Jumbo en de AH zijn concurrenten van elkaar

Slide 4 - Tekstslide

Mevrouw Jansen denkt bij de aankoop van producten alleen aan de te betalen prijs. Op dinsdag haalt ze de volgende boodschappen.
Reken uit bij wel bedrijf deze boodschappen het goedkoopst gedaan kunnen worden.
A
Bedrijf A is het goedkoopst
B
Bedrijf B is het goedkoopst

Slide 5 - Quizvraag

Mevrouw de Bruin koopt een jas van €435,00.
Zij ontvangt een korting van €89,00.
Wat moet zij betalen?

Slide 6 - Open vraag

omzet
Het totaal van alles wat je in een periode verkocht hebt.

Hoe meer je verkoopt, hoe groter de omzet is.

Slide 7 - Tekstslide

In een snackbar is in een week het volgende verkocht: 

Slide 8 - Tekstslide

Bereken de omzet uit verkoop van de kroketten.

Slide 9 - Open vraag

Bereken de omzet uit verkoop van de hamburgers

Slide 10 - Open vraag

Bereken de omzet uit verkoop van de blikjes fris

Slide 11 - Open vraag

Wat dient een klant te betalen voor 4 kroketten, 2 hamburgers en 6 blikjes fris?

Slide 12 - Open vraag

Slide 13 - Tekstslide

De omzet van dit bedrijf is gestegen in 2020. Hoeveel?

Slide 14 - Open vraag

De prijs van een tv daalde van €600,00 naar €526, 20.
Hoeveel is de prijdaling?

Slide 15 - Open vraag

Het inkomen van Dhr de Vries is €2.400,00. Na verhoging werd het inkomen €2.640,00.
Met hoeveel euro is het inkomen toegenomen?

Slide 16 - Open vraag

gemiddelde
Je telt alle getallen bij elkaar op en deelt dan door het aantal getallen.

Het gemiddelde van de getallen 2,6 en 10?
2 + 6 + 10 = 18
18 : 3 = 6
Het gemiddelde is 6

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Hoeveel artikelen werden er gemiddeld per jaar verkocht?

Slide 19 - Open vraag

Hoeveel was de omzet in 2020 als de gemiddelde prijs per artikel €50,00 was?

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Tekstslide

Wat was de totale omzet in het eerste kwartaal van 2020?

Slide 22 - Open vraag

Ik kon de opdrachten best goed zelf maken
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll