zinsdelen: het lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp

We leren vandaag over het lijdend voorwerp.

Daarvoor heb je andere zinsdelen nodig.
- persoonsvorm: werkwoord dat zich aanpast aan de persoon (het onderwerp).
- onderwerp: wie of wat doet er iets?
- gezegde: alle werkwoorden die iets zeggen over wat het onderwerp doet.
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

We leren vandaag over het lijdend voorwerp.

Daarvoor heb je andere zinsdelen nodig.
- persoonsvorm: werkwoord dat zich aanpast aan de persoon (het onderwerp).
- onderwerp: wie of wat doet er iets?
- gezegde: alle werkwoorden die iets zeggen over wat het onderwerp doet.

Slide 1 - Tekstslide

Lijdend voorwerp (LV)
Het lijdend voorwerp is het voorwerp dat het onderwerp nodig heeft om de handelng uit te voeren.

Bij sommige werkwoorden bestaat de basiszin uit drie zinsdelen en dan is het derde zinsdeel het lijdend voorwerp.
Lopen - ik loop
Plukken - ik pluk iets

Slide 2 - Tekstslide

Lijdend voorwerp (LV)
Je stelt de vraag: wie/wat + wwg + ow?
Het antwoord is het lijdend voorwerp.

Let op: het lijdend voorwerp begint 
NOOIT met een voorzetsel!

Slide 3 - Tekstslide

Welke opgaven moeten we maken?​
Wat is het lijdend voorwerp?
A
Welke opgaven
B
we
C
moeten maken
D
zit er niet in

Slide 4 - Quizvraag

Onze leraar verzamelt oude lp’s.​

Wat is het lijdend voorwerp?
A
Onze leraar
B
verzamelt
C
oude lp's
D
lp's

Slide 5 - Quizvraag

De verliefde jongen kocht een roos.
Wat is het lijdend voorwerp?
A
De verliefde jongen
B
kocht
C
een roos
D
zit er niet in

Slide 6 - Quizvraag

Welke vraag heb jij nog over het
lijdend voorwerp?

Slide 7 - Woordweb

Meewerkend voorwerp

Slide 8 - Tekstslide

Het meewerkend voorwerp 
Geeft aan voor wie iets bestemd is 
1. Noteer het onderwerp, werkwoordelijk gezegde en lijdend voorwerp. 
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? 
3. Controleer of je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen. 

Slide 9 - Tekstslide

Een meewerkend voorwerp kan met aan of voor beginnen. Als deze woorden er niet voor staan, kun je ze er voor zetten. 

In zinnen met een meewerkend voorwerp staat vaak een lijdend voorwerp.

Slide 10 - Tekstslide

Als je aan of voor weglaat of toevoegt moeten meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp soms wel van plaats veranderen om een goede zin te krijgen.

bijvoorbeeld:
Ik geef een boek aan jou. 
Ik geef jou een boek.

Slide 11 - Tekstslide

Even checken...
Heb je het begrepen? 

Slide 12 - Tekstslide

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?
A
aan/voor wie + pv + ow +lv?
B
aan/voor wie + ow + lv?
C
aan/voor wie + wg + ow +lv?
D
aan/voor wie + wg + lv?

Slide 13 - Quizvraag

Als er geen meewerkend voorwerp is kan er wel een lijdend voorwerp zijn.
A
juist
B
onjuist

Slide 14 - Quizvraag

Als er geen lijdend voorwerp is kan er wel een meewerkend voorwerp zijn.
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quizvraag

Dan gaan we nu oefenen! 

Slide 16 - Tekstslide

Wat is de pv?
De verdwaalde toerist vroeg de weg aan de politie.
A
de verdwaalde toerist
B
vroeg
C
de weg
D
aan de politie

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het ow?
De verdwaalde toerist vroeg de weg aan de politie.
A
de verdwaalde toerist
B
vroeg
C
de weg
D
aan de politie

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
De verdwaalde toerist vroeg de weg aan de politie.
A
de verdwaalde toerist
B
de politie
C
vroeg
D
de weg

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp?
De verdwaalde toerist vroeg de weg aan de politie.
A
de verdwaalde toerist
B
vroeg
C
de weg
D
aan de politie

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het wg?
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
zongen een vrolijk welkomstlied
B
zongen voor
C
zongen
D
alle aanwezigen

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het mv?
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
voor de jarige
B
de jarige
C
alle aanwezigen
D
een vrolijk welkomstlied

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het mv?
Elke woensdag geeft Nienke de plantjes op haar kamer water.
A
Nienke
B
elke woensdag
C
water
D
de plantjes op haar kamer

Slide 23 - Quizvraag

en dan nu....

Slide 24 - Tekstslide

Na alle vragen 'wie of wat' en 'aan/voor wie of wat'...
... hebben we nog een paar vragen over.
- Waar?
- Wanneer?
- Waarom?
- Waarheen?
- Hoe?
Het antwoord daarop is een bijwoordelijke bepaling

Slide 25 - Tekstslide