Cursus 7 Spelling § 3 Meervouden

Cursus 7 Spelling 
Les 3
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Cursus 7 Spelling 
Les 3

Slide 1 - Tekstslide

§ 3 Het meervoud (p.248 en 249)

Lesdoelen:

  • Je leert meervouden spellen.

Slide 2 - Tekstslide

Programma
  • Nakijken opdracht 1 t/m 6 (blz. 246 en 247)
  • §3 Meervouden (blz. 248)
  • Maken opdracht 1 t/m 10 (blz. 248 en 249)

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Zelfstandige naamwoorden


enkelvoud = één stoel en één bank

meervoud = twee stoelen en twee banken

Slide 5 - Tekstslide

MEERVOUDEN

Veel zelfstandige naamwoorden hebben meervoud op -en


lamp - lampen

mes - messen

weg - wegen

kaas - kazen

Slide 6 - Tekstslide

1. MEERVOUD op -en
Vaak hoef je alleen maar -en achter het woord te zetten

lamp + en = lampen

boer + en = boeren

dans + en = dansen

lot + en = loten

Slide 7 - Tekstslide

2. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk de laatste letter verdubbelen,

want je hoort een korte klank

klas + s + en = klassen

bak + k + en = bakken

bed + d + en = bedden

Slide 8 - Tekstslide

3. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk een a, e, o of u weghalen,

want je hoort een lange klank

schaar - a + en = scharen

been - e + en = benen

sloot - o + en = sloten

Slide 9 - Tekstslide

4. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk een -f veranderen in een -v

raaf + f/v + en = raven

brief + f/v + en = brieven

golf + f/v + en = golven

Slide 10 - Tekstslide

5. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk een -s veranderen in een -z

baas + s/z + en = bazen

huis + s/z + en = huizen

mees + s/z + en = mezen

Slide 11 - Tekstslide

6. MEERVOUD op -ën

Bij woorden die eindigen op -ee of -ie maak je langer met -ën of met -"n (let op de plaats van de klemtoon)

fee = feeën

knie = knieën

bacterie = bacteriën

porie = poriën

Slide 12 - Tekstslide

Meervouden op -s
Veel zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud op -en, 
maar er zijn ook zelfstandige naamwoorden met een meervoud op -s.

Zo maak je een meervoud op -s:
  • Je schrijft een -s achter het enkelvoud:
     bezem --> bezems / café --> cafés / decoratie --> decoraties
  • Je schrijft -'s (apostrof +s) achter het enkelvoud:
    - bij woorden op a, i, o, u of y: pyjama --> pyjama's / kiwi --> kiwi's/ jojo --> jojo's
    - bij afkortingen: pc's, havo's, tv's, WK's

! Let op: bij woorden die eindigen op twee of drie klinkers die samen één klank vormen, schrijf je in het meervoud de -s aan het woord vast: milieu --> milieus  etui --> etuis
Maar: cavia --> cavia's / radio --> radio's want hier klinken de klinkers niet samen: ca-vi-a / ra-di-o

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link

Open je Chromebook

Slide 15 - Tekstslide

Meervoud -s of -'s
A
ballerina's
B
ballerinaas

Slide 16 - Quizvraag

Meervoud -s of -'s
A
garages
B
garage's

Slide 17 - Quizvraag

Meervoud -s of -'s
A
babys
B
baby's

Slide 18 - Quizvraag

Meervoud -s of -'s
A
pianos
B
piano's

Slide 19 - Quizvraag

Meervoud -s of -'s
A
dictees
B
dictee's

Slide 20 - Quizvraag

Meervoud -s of -'s
A
pasfoto's
B
pasfotoos

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
OLIFANT
A
olifantjes
B
olifantje
C
olifanten
D
olifantten

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
KAAS
A
kaazen
B
kazen
C
kaasen
D
kasen

Slide 23 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
KOEKENPAN
A
pannenkoek
B
pannenkoeken
C
koekenpannen
D
koekenpanen

Slide 24 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
mees
A
meesen
B
mezen
C
meezen
D
mesen

Slide 25 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
kip
A
kippen
B
kipen
C
kipjes
D
kippetjes

Slide 26 - Quizvraag

Waar ligt de klemtoon?
genie
A
ge
B
nie

Slide 27 - Quizvraag

Hoe schrijf je het meervoud van
genie

Slide 28 - Open vraag

Waar ligt de klemtoon?
melodie
A
me
B
lo
C
die

Slide 29 - Quizvraag

Hoe schrijf je het meervoud van
melodie

Slide 30 - Open vraag

Waar ligt de klemtoon?
ceremonie
A
ce
B
re
C
mo
D
nie

Slide 31 - Quizvraag

Hoe schrijf je het meervoud van
ceremonie

Slide 32 - Open vraag

Huiswerk
Maken opdracht 1 t/m 10 (blz. 249 en 250)

Slide 33 - Tekstslide