Welvaart (1e) H5. Brede welvaart

Week 40 (vanaf 28 september 2026)
Hoofdstuk 5. Brede welvaart
  • actualiteit (Senegalese kampioen leert meiden surfen: 'Niet alleen voor mannen')
  • terugblik vorige les (arbeidsmarkt)
  • opdracht 4.13 klassikaal maken
  • leerdoelen
  • instructie (brede welvaart)
  • filmpje (sustainable development goals)
  • filmpje (maatschappelijke brede welvaart)
  • oefening (MBW)
  • weektaak: opdracht 5.1 t/m 5.6
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Week 40 (vanaf 28 september 2026)
Hoofdstuk 5. Brede welvaart
  • actualiteit (Senegalese kampioen leert meiden surfen: 'Niet alleen voor mannen')
  • terugblik vorige les (arbeidsmarkt)
  • opdracht 4.13 klassikaal maken
  • leerdoelen
  • instructie (brede welvaart)
  • filmpje (sustainable development goals)
  • filmpje (maatschappelijke brede welvaart)
  • oefening (MBW)
  • weektaak: opdracht 5.1 t/m 5.6

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik (vraag naar arbeid)
De werkgelegenheid (vraag naar arbeid) wordt bepaald door:
  • de hoogte van de productie (BBP)
  • de hoogte van de arbeidsproductiviteit (hoeveel maak ik in een uur?)


Positief verband tussen BBP en werkgelegenheid: over het algemeen zijn er meer werknemers nodig als de productie (BBP) toeneemt.

Hoe kan het BBP sterker groeien dan de werkgelegenheid?
Als de arbeidsproductiviteit stijgt, komt een deel van de BBP stijging door werknemers die sneller werken en zijn dus geen extra werknemers nodig.
Werkgelegenheid=​Arbeidproductiviteit​​BBP​​

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik (werkloosheid)
Conjuncturele werkloosheid
Vraagkant: door te lage bestedingen en dus te weinig productie.
Terugdringen door anticyclisch beleid: bestedingen moeten weer stijgen.

Structurele werkloosheid
Aanbodkant: de productiefactoren sluiten niet aan.
Voorbeeld: Er is veel vraag naar zorgpersoneel maar werkzoekenden hebben allemaal geen zorgachtergrond.

Slide 3 - Tekstslide

Loonmatiging
Loon neemt zelfden af, ook niet in slechte tijden, mensen worden ontslagen omdat ze te duur worden. Oplossing? Loonmatiging

Hoe kun je zorgen dat de loonkosten per product gaan dalen, terwijl het uurloon gelijk blijft?

De arbeidsproductiviteit moet sterker stijgen dan de loonkosten per werknemer (dan pas dalen de loonkosten per product).

Slide 4 - Tekstslide

Opdracht 4.13 (pagina 55)
Y* = 50.000 (K + L) waarbij K = 5 miljoen eenheden kapitaal en L = 10 miljoen eenheden arbeid
a. Bereken het potentiële inkomen in de uitgangssituatie.
  • Y* = 50.000 x (5 miljoen + 10 miljoen) = € 750 miljard
b. Bereken de hoogte van de arbeidsproductiviteit in de uitgangssituatie.
  • arbeidsproductiviteit = productie / werkenden
  • arbeidsproductiviteit = € 750 miljard / 10 miljoen = € 75.000
c. Bereken het werkelijk inkomen (Y) in de uitgangssituatie.
  • Y = C + I + O + E - M
  • Y = 405 + 110 + 200 + 485 - 525 = € 675 miljard
timer
10:00

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht 4.13 (pagina 55)
d. Bereken de conjuncturele werkloosheid in in de uitgangssituatie.
  • aantal werkenden = Y / arbeidsproductiviteit
  • aantal werkenden = € 675 miljard / € 75.000 = 9 miljoen
  • conjuncturele werkloosheid = 10 miljoen - 9 miljoen = 1 miljoen
e. Leg uit dat de totale werkloosheid hoger is dan de bij d. berekende werkloosheid.
  • naast conjuncturele werkloosheid is er altijd structurele (natuurlijke) werkloosheid
f. Leg uit dat arbeidstijdverkorting kan leiden tot stijgende loonkosten per eenheid product.
  • loonkosten per eenheid product = loonkosten per werknemer / arbeidsproductiviteit
  • loonkosten per werknemer blijven gelijk
  • door de arbeidstijdverkorting daalt de arbeidsproductiviteit
  • daardoor stijgen de loonkosten per eenheid product 

Slide 6 - Tekstslide

Opdracht 4.13 (pagina 55)
g. Welk gevolg heeft arbeidstijdverkorting voor de arbeidsinkomensquote (AIQ)?
  • arbeidsinkomensquote (AIQ) = arbeidsinkomen / BBP
  • loonkosten per werknemer blijven gelijk
  • door de arbeidstijdverkorting daalt de arbeidsproductiviteit
  • dus zullen er meer werknemers worden aangenomen
  • waardoor het arbeidsinkomen stijgt terwijl het BBP gelijk blijft
h. Bereken de daling van de arbeidsproductiviteit om de werkloosheid te laten verdwijnen.
  • dan moeten er 10 miljoen mensen werken bij een BBP van € 675 miljard
  • de arbeidsproductiviteit moet dan € 675 miljard / 10 miljoen mensen = € 67.500 zijn
  • dat is een daling van (€ 67.500 - € 75.000) / € 75.000 x 100% = 10%

Slide 7 - Tekstslide

Opdracht 4.13 (pagina 55)
i. Leg uit dat loonmatiging via een verbetering van het saldo op de lopende rekening ertoe kan leiden dat de werkloosheid daalt.
  • door loonmatiging dalen de loonkosten per eenheid product
  • hierdoor kunnen de prijzen worden verlaagd waardoor de concurrentiepositie verbetert
  • dit leidt tot een stijging van de export en een daling van de import waardoor het saldo op de lopende rekening kan verbeteren
  • dit leidt tot meer productie waardoor de werkloosheid daalt
j. Past het verhogen van de overheidsuitgaven in een anticyclisch begrotingsbeleid?
  • ja, het verhogen van de overheidsuitgaven stimuleren de bestedingen
  • in een laagconjunctuur gaat dit tegen de conjunctuurbeweging in

Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 4.13 (pagina 55)
k. Noem nog 3 pijlen waarvan het bedrag kan toenemen als gevolg van de gestegen overheidsbestedingen. Als de overheidsbestedingen (O) stijgen:
  • zal het nationaal inkomen (Y) stijgen omdat bedrijven meer productiefactoren in gaan schakelen om aan de gestegen vraag te voldoen
  • zal de consumptie (C) stijgen omdat gezinnen nu een hoger inkomen hebben
  • zullen de belastingen (B) en besparingen (S) stijgen omdat gezinnen een hoger inkomen hebben
  • zal de import stijgen omdat bedrijven meer produceren en dus meer grondstoffen uit het buitenland nodig hebben

Slide 9 - Tekstslide

Leerdoelen H5. Brede welvaart
  • Ik kan de eerste 5 begrippen op pagina 72 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan maatschappelijke brede welvaart beschrijven als de behoeftebevrediging die alle gezinnen samen ontlenen aan de consumptie van schaarse goederen en diensten
  • Ik kan uitleggen dat het BBP een beperkte maatstaf voor welvaart is.
  • Ik kan uitleggen dat bij brede maatschappelijke welvaart politieke waardeoordelen meespelen over de verdeling van de welvaartstoename.
  • Ik kan beschrijven hoe ongelijkheid, risico, overheidspaternalisme en het milieu de welvaartsbeleving beïnvloeden.









































Slide 10 - Tekstslide

Brede welvaart
Brede welvaart verwijst naar de kwaliteit van leven van huishoudens, waarbij niet alleen materiële vooruitgang (BBP) wordt meegenomen, maar ook:
  • welzijn
  • sociale vooruitgang
  • inkomensgelijkheid
  • vrije tijd
  • gezondheid
  • onderwijs
  • goede kwaliteit van de leefomgeving

Slide 11 - Tekstslide

Brede maatschappelijke welvaart

Slide 12 - Tekstslide

Sustainable Development Goals
De Sustainable Development Goals (SDG’s), in het Nederlands Duurzame Ontwikkelingsdoelen, zijn 17 wereldwijde doelen die in 2015 door de lidstaten van de Verenigde Naties (VN) zijn vastgesteld. Ze vormen samen de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling en hebben als doel om:
  • armoede te bestrijden,
  • de planeet te beschermen en
  • welvaart voor iedereen te bevorderen

Kijkvraag:
  • wat zijn de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen?

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

De 17 SDG's

  1. Geen armoede
  2. Geen honger
  3. Goede gezondheid en welzijn
  4. Kwaliteitsonderwijs
  5. Gendergelijkheid
  6. Schoon water en sanitair
  7. Betaalbare en duurzame energie
  8. Waardig werk en economische groei
  9. Industrie, innovatie en infrastructuur
  10. Ongelijkheid verminderen
  11. Duurzame steden en gemeenschappen
  12. Verantwoorde consumptie en productie
  13. Klimaatactie
  14. Leven in het water
  15. Leven op het land
  16. Vrede, justitie en sterke publieke diensten
  17. Partnerschap om de doelen te bereiken

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Monitor Brede welvaart
De Monitor Brede Welvaart (MBW) is een jaarlijks rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat laat zien hoe het met Nederland gaat, niet alleen economisch, maar ook op sociaal, maatschappelijk en ecologisch gebied. 

Kijkvragen:
  1. welke dimensies (3) onderscheid het CBS in de MBW?
  2. in welke thema's (14) zijn de indicatoren van de MBW onderverdeeld?





Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Monitor Brede Welvaart
Hier en nu
  • subjectief welzijn
  • materiële welvaart
  • gezondheid
  • arbeid en vrije tijd
  • wonen
  • samenleving
  • veiligheid
  • milieu
Later                                                                            MBW
  • economisch kapitaal
  • natuurlijk kapitaal
  • menselijk kapitaal
  • sociaal kapitaal
Elders
  • handel en hulp
  • milieu en grondstoffen

Slide 20 - Tekstslide

Oefening (Monitor Brede Welvaart)
WAT     analyseer 2 tot 3 thema's van de Monitor Brede Welvaart 2026 (MBW)
              voor de middellange termijn in Nederland
HOE     met je laptop in groepjes van 2 tot 3 leerlingen
               ieder groepje analyseert 2 tot 3 thema's
HULP   docent loopt rond
TIJD     10 minuten
UITKOMST ieder groepje presenteert de indicatoren van de thema's
KLAAR dan ga je nog een ander thema analyseren

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 5.3 en 5.5 (pagina 62/63) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 5.1 t/m 5.6

Slide 23 - Tekstslide

Week 40 (vanaf 28 september 2026)
Hoofdstuk 5. Brede welvaart
  • actualiteit (Economie kreeg klap door de hitte: 'Andere landen zijn beter voorbereid')
  • terugblik vorige les (brede welvaart)
  • opdracht 5.3 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (welvaartbeleving)
  • filmpje (maatschappelijke brede welvaart)
  • quiz
  • weektaak: opdracht 5.1 t/m 5.12

Slide 24 - Tekstslide

Terugblik
(brede welvaart)
Brede welvaart verwijst naar de kwaliteit van leven van huishoudens, waarbij niet alleen materiële vooruitgang (BBP) wordt meegenomen, maar ook:
  • welzijn
  • sociale vooruitgang
  • inkomensgelijkheid
  • vrije tijd
  • gezondheid
  • onderwijs
  • goede kwaliteit van de leefomgeving

Slide 25 - Tekstslide

Terugblik (de 17 SDG's)

  1. Geen armoede
  2. Geen honger
  3. Goede gezondheid en welzijn
  4. Kwaliteitsonderwijs
  5. Gendergelijkheid
  6. Schoon water en sanitair
  7. Betaalbare en duurzame energie
  8. Waardig werk en economische groei
  9. Industrie, innovatie en infrastructuur
  10. Ongelijkheid verminderen
  11. Duurzame steden en gemeenschappen
  12. Verantwoorde consumptie en productie
  13. Klimaatactie
  14. Leven in het water
  15. Leven op het land
  16. Vrede, justitie en sterke publieke diensten
  17. Partnerschap om de doelen te bereiken

Slide 26 - Tekstslide

Opdracht 5.3 (pagina 62)
Gemiddeld besteden mensen 11 uur per dag aan zaken als slapen, eten en douchen. Zorgtaken en scholding nemen gemiddeld 3 uur in beslag. De overige tijd verdelen mensen naar eigen inzicht tussen vrije tijd en betaald werk. Het gemiddeld uurloon in 2018 was € 22,70.

a. Bereken hoeveel inkomen iemand heeft die 4 uur vrije tijd wil hebben.
  • voor werk en vrije tijd blijft gemiddeld 24 - 11 - 3 = 10 uur per dag over
  • iemand die 4 uur vrije tijd per dag wil, kan 6 uur  per dag werken
  • 6 uur x € 22,70 = € 136,20 per dag

b. Bereken hoeveel inkomen iemand heeft die het maximale uren per dag werkt.
  • maximaal inkomen = 10 uur x € 22,70 = € 227 per dag

Slide 27 - Tekstslide

Opdracht 5.3 (pagina 62)
Gemiddeld besteden mensen 11 uur per dag aan zaken als slapen, eten en douchen. Zorgtaken en scholing nemen gemiddeld 3 uur in beslag. De overige tijd verdelen mensen naar eigen inzicht tussen vrije tijd en betaald werk. Het gemiddeld uurloon in 2018 was € 22,70.
c. Teken de lijn die alle mogelijke combinaties (budgetlijn) van inkomen en vrije tijd weergeeft.

Vrije tijd en inkomen staan op gespannen voet met elkaar.
d. Leg dit uit met behulp van de grafiek.
  • voor elk uur vrije tijd verdient een Nederlander geen inkomen 
  • voor elk uur werk heeft een Nederlander geen vrije tijd
  • dit komt tot uitdrukking in het dalende verloop van de lijn 
  • dit noemen we opofferingskosten (zie Leversloop)

Slide 28 - Tekstslide

Opdracht 5.3 (pagina 62)
Gemiddeld besteden mensen 11 uur per dag aan zaken als slapen, eten en douchen. Zorgtaken en scholing nemen gemiddeld 3 uur in beslag. De overige tijd verdelen mensen naar eigen inzicht tussen vrije tijd en betaald werk. Het gemiddeld uurloon in 2018 was € 22,70.

Nederlanders besteedden in 2018 gemiddeld genomen evenveel tijd aan vrije tijd als aan de combinatie betaald werk, zorgtaken en scholing.
e. Geef in de grafiek aan hoe de gemiddelde Nederlander zijn tijd besteedt.
  • de Nederlander besteedde (24 - 11 uur slapen) / 2 = 6,5 uur aan vrije tijd 
  • en besteedde (6,5 - 3 uur zorgtaken en scholing) = 3,5 uur aan werk
  • en verdient daarmee 3,5 uur werk x € 22,70 = € 79,45 per dag

Slide 29 - Tekstslide

Leerdoelen H5. Brede welvaart
  • Ik kan de eerste 5 begrippen op pagina 72 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan maatschappelijke brede welvaart beschrijven als de behoeftebevrediging die alle gezinnen samen ontlenen aan de consumptie van schaarse goederen en diensten
  • Ik kan uitleggen dat het BBP een beperkte maatstaf voor welvaart is.
  • Ik kan uitleggen dat bij brede maatschappelijke welvaart politieke waardeoordelen meespelen over de verdeling van de welvaartstoename.
  • Ik kan beschrijven hoe ongelijkheid, risico, overheidspaternalisme en het milieu de welvaartsbeleving beïnvloeden.
  • Ik kan uitleggen hoe het groene BBP het BBP corrigeert voor schade aan het milieu.
  • Ik kan het verschil beschrijven tussen welvaart en welzijn.









































Slide 30 - Tekstslide

Brede maatschappelijke welvaart

Slide 31 - Tekstslide

Welvaart en Welzijn

Slide 32 - Tekstslide

BBP, welvaart en welzijn
Welzijn is een maatstaf voor
welvaart die rekening houdt
met materiële welvaart en
alle schaarse en
niet-schaarse goederen.

Slide 33 - Tekstslide

Groen BBP en brede welvaart
Brede welvaart houdt rekening met alle schaarse middelen (veiligheid, milieu, ongelijkheid en vrije tijd).

Groen BBP houdt alleen rekening met het milieu (zowel de positieve als de negatieve externe effecten).

Slide 34 - Tekstslide

Monitor Brede welvaart
De Monitor Brede Welvaart (MBW) is een jaarlijks rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat laat zien hoe het met Nederland gaat, niet alleen economisch, maar ook op sociaal, maatschappelijk en ecologisch gebied. 

Kijkvragen:
  1. welke dimensies (3) onderscheid het CBS in de MBW?
  2. in welke thema's (14) zijn de indicatoren van de MBW onderverdeeld?





Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Video

Monitor Brede Welvaart
Hier en nu
  • subjectief welzijn
  • materiële welvaart
  • gezondheid
  • arbeid en vrije tijd
  • wonen
  • samenleving
  • veiligheid
  • milieu
Later                                                                            MBW
  • economisch kapitaal
  • natuurlijk kapitaal
  • menselijk kapitaal
  • sociaal kapitaal
Elders
  • handel en hulp
  • milieu en grondstoffen

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

172. Welke bewering is goed of fout?
I. Huishoudelijk werk draagt alleen bij tot welvaart als dit betaald wordt in natura.
II. Niet-geregistreerde productie kan bijdragen tot de brede maatschappelijke welvaart.

A
beiden zijn goed
B
I is goed en II is fout
C
I is fout en II is goed
D
beiden zijn fout

Slide 39 - Quizvraag

174. Welke activiteiten behoren tot de informele sector?
A
Saida maakt haar kamer schoon.
B
Tyron fluit op zaterdag als vrijwilliger een hockeywedstrijd.
C
Mitchel werkt op zaterdag bij de kledingwinkel o.b.v. een arbeidscontract en verdient € 6 per uur.
D
Jelle zit op school, want hij is leerplichtig.

Slide 40 - Quizvraag

175. Het bruto binnenland product dat wordt gemeten door het CBS heeft als welvaartsmaatstaf een aantal beperkingen.

Welke van de onderstaande oorzaken zorgt ervoor dat de welvaart hoger is dan het bruto binnenlands product?
A
Een deel van de inkomens wordt niet meegenomen in de berekening van het CBS omdat dit verdiend wordt in de informele sector.
B
Een deel van de productie leidt tot negatieve externe effecten.
C
Vrije tijd is een factor die niet meegenomen wordt in de berekening van het CBS.
D
De waarde die men hecht aan de kwaliteit van overheidsvoorzieningen is subjectief.

Slide 41 - Quizvraag

178. Wat is het verschil tussen de brede welvaart en de maatschappelijke brede welvaart?
A
Bij de maatschappelijke brede welvaart is de brede welvaart van alle huishoudens opgeteld.
B
Bij de maatschappelijke brede welvaart telt ook de behoeftebevrediging van bedrijven en de overheid mee.
C
Bij de maatschappelijke brede welvaart telt ook het welzijn van de huishoudens mee.
D
Bij de maatschappelijke brede welvaart wordt rekening gehouden met de monetaire schade aan het milieu.

Slide 42 - Quizvraag

180. Welvaart heeft een positief of een negatief verband met een aantal andere variabelen.

Welke van onderstaande zaken beïnvloeden de welvaart negatief?
A
Ongelijkheid
B
Risico
C
Vrije tijd
D
Overheidspaternalisme

Slide 43 - Quizvraag

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 5.7 (pagina 64) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 5.1 t/m 5.12

Slide 44 - Tekstslide