In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Rekenen
Les 5
Slide 1 - Tekstslide
Slide 2 - Tekstslide
Wat is het aantal mensen per vak?
Slide 3 - Tekstslide
Wat is het aantal mensen per vak?
Aantal vakken: 50
Totaal aantal mensen: 35.000
Slide 4 - Tekstslide
Wat is het aantal mensen per vak?
Aantal vakken: 50
Totaal aantal mensen: 35.000
35.000 delen door
50 vakken
Slide 5 - Tekstslide
Wat is het aantal mensen per vak?
Aantal vakken: 50
Totaal aantal mensen: 35.000
35.000 delen door
50 vakken
35.000 : 50 = 700
Slide 6 - Tekstslide
Wat is het aantal mensen per vak?
Aantal vakken: 50
Totaal aantal mensen: 35.000
35.000 delen door
50 vakken
35.000 : 50 = 700
700 mensen per vak
Slide 7 - Tekstslide
Opdracht 1.17: Rekenregels a. (16-4)+8=
Wat zijn de rekenregels. Wat doe je als eerste?
A
Vermenigvuldigen en delen
B
Alles tussen haakjes uitrekenen
C
Optellen en aftrekken
Slide 8 - Quizvraag
Opdracht 1.17: Rekenregels a. (16-4)+8=
Wat zijn de rekenregels. Wat doe je als laatste?
A
Vermenigvuldigen en delen
B
Alles tussen haakjes uitrekenen
C
Optellen en aftrekken
Slide 9 - Quizvraag
Opdracht 1.17: Rekenregels a. (16-4)+8=
Wat is het antwoord?
Slide 10 - Open vraag
Opdracht 1.17: Rekenregels c. 7 x (4+8)
Wat is het antwoord?
Slide 11 - Open vraag
Opdracht 1.17: Rekenregels d. (36:6)-3
Wat is het antwoord?
Slide 12 - Open vraag
Opdracht 1.17: Rekenregels e. 3 x (12 - 4)
Wat is het antwoord?
Slide 13 - Open vraag
Opdracht 1.18: Rekenregels b. (20 - 3) x 4
Wat is het antwoord?
Slide 14 - Open vraag
Opdracht 1.18: Rekenregels d. 50 : (6 + 4)
Wat is het antwoord?
Slide 15 - Open vraag
Opdracht 1.19: Taxi
Het starttarief is € 3,00. De taxirit kost € 2,25 per kilometer. De weg naar huis is 8 kilometer. Denk aan € teken!
Slide 16 - Open vraag
Opdracht 1.20: Loon Je werkt in een restaurant. Overdag verdien je € 9,00 per uur. In de avond verdien je € 1,00 per uur meer. Je werkt deze week op een avond 3 uren. Hoeveel verdien je?
(Denk aan het euroteken en hoeft geen decimalen te noteren)
A
€ 27
B
€ 30
C
€ 9
D
€ 10
Slide 17 - Quizvraag
Opdracht 1.21a: Je hebt een vakantiebaan in een restaurant en je verdient € 4,98 per uur. Je werkt 202 uur. Hoeveel geld heb je ongeveer verdiend?
(Denk aan het euroteken en hoeft geen decimalen te noteren)
A
€ 1.000
B
€ 996
C
€ 1.006
D
€ 1.010
Slide 18 - Quizvraag
Opdracht 1.23: Rekenregels (81 : 9 + 25) : 17 x 5
Wat zijn de rekenregels. Wat doe je als eerste?
A
Alles tussen haakjes uitrekenen
B
Optellen en aftrekken
C
Vermenigvuldigen en delen
Slide 19 - Quizvraag
Opdracht 1.23: Rekenregels (81 : 9 + 25) : 17 x 5
Wat zijn de rekenregels. Wat doe je als eerste bij 81 : 9 + 25 ?
A
Alles tussen haakjes uitrekenen
B
Optellen en aftrekken
C
Vermenigvuldigen en delen
Slide 20 - Quizvraag
Opdracht 1.24 | Armbandjes
Lisa wil voor haar zes vriendinnen cadeautjes kopen. Ze vind armbandjes die € 4,85 per stuk kosten. Hoeveel heeft ze (geschat) nodig?
(Denk aan het euroteken en hoeft geen decimalen te noteren)
(Denk aan het euroteken en doe 2 decimalen)
Slide 21 - Open vraag
Opdracht 1.26b | Bloeses
Celia koopt 2 blouses: Nr 1. kost € 34,99, Nr 2. kost € 29,99 Met haar werk verdient zij € 5,50 per uur. Hoeveel kosten beide blouses?
(Denk aan het euroteken en hoeft geen decimalen te noteren)
(Denk aan het euroteken en doe 2 decimalen)
Slide 22 - Open vraag
Opdracht 1.26b | Bloeses
Celia koopt 2 blouses: Nr 1. kost € 34,99, Nr 2. kost € 29,99 Met haar werk verdient zij € 5,50 per uur. Hoeveel uur moet zij werken?
(Denk aan het euroteken en hoeft geen decimalen te noteren)
(Rond af op hele uren)
Slide 23 - Open vraag
Opdracht 1.30 | Kijkcijfers
Naar de wedstrijd Ajax - Manchester United kijken in totaal 3,6 miljoen mensen. Het journaal had 1,6 miljoen kijkers.
Hoeveel kijkers had de voetbalwedstrijd meer dan het journaal?
A
3,6 miljoen
B
5,2 miljoen
C
1,6 miljoen
D
2,0 miljoen
Slide 24 - Quizvraag
Opdracht 1.30 | Kijkcijfers
Naar de wedstrijd Ajax - Manchester United kijken in totaal 3,6 miljoen mensen. Het journaal had 1,6 miljoen kijkers.
Hoeveel kijkers hadden de twee programma's samen?
A
3,6 miljoen
B
5,2 miljoen
C
1,6 miljoen
D
2,0 miljoen
Slide 25 - Quizvraag
Opdracht 1.33 | Kortingskaart
Een retourkaartje voor de trein kost normaal € 12,50. Hij heeft een kortingskaart gekregen waardoor de rit € 5,- goedkoper is. Hoeveel moet hij betalen als hij naar het strand gaat?