Vermogensstructuur en risico (Bedrijfseconomie vwo), les 2: Examentraining

Amsterdamsche Bank aan de Herengracht, Amsterdam, ca. 1902-1930

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Examentraining

Vermogensstructuur en risico: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casussen en rekenvragen: verhouding EV en VV, interest en vaste lasten, interest en geëist rendement en lenen of aandelen kiezen, met acht vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

Amsterdamsche Bank aan de Herengracht, Amsterdam, ca. 1902-1930

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Examentraining

Vermogensstructuur en risico: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rijksmuseum / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan de gevolgen van de verhouding EV en VV en van de keuze tussen lenen en aandelen analyseren.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: noteer EV, VV, interestpercentage en wat de vraag wil weten.

  • 2. Reken: VV : EV, interest = percentage x VV, EV na verlies.

  • 3. Redeneer: meer VV, hogere vaste lasten, groter faillissementsrisico, hogere interest.

  • 4. Vergelijk: reken VV : EV na lenen en na nieuwe aandelen en noem het gevolg voor beide verschaffers.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Type 1: verhouding EV en VV

  • Je krijgt EV en VV en bepaalt VV : EV.

  • Een hogere VV : EV betekent meer vaste lasten en dus een groter faillissementsrisico.

Deze slide heeft geen instructies

Lux bv: EV € 60.000, VV € 90.000. Orka bv: EV € 40.000, VV € 160.000. Wie loopt meer faillissementsrisico?

A

Lux bv, want Lux heeft het meeste EV

B

Lux bv, want haar VV : EV is het hoogst

C

Beide gelijk, want het VV is bij beide groter dan het EV

D

Orka bv, want VV : EV is 4 tegen 1,5 bij Lux

Syllabus 22.1. Rekenen: Lux 90.000 / 60.000 = 1,5. Orka 160.000 / 40.000 = 4. Orka heeft per euro EV meer geleend, dus meer vaste lasten en risico. Verwachte fout: naar het absolute EV kijken in plaats van de verhouding.

EV € 80.000, VV € 320.000. Wat is VV : EV?

Syllabus 22.1. Rekenen: 320.000 / 80.000 = 4. Verwachte fout: EV : VV berekenen (0,25) of de totalen delen (5).

Scheepswerfkraan Eriksberg, Göteborg, 2017

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Type 2: interest, vaste last

  • Interest per jaar = interestpercentage x VV.

  • Interest betaal je ook als het resultaat laag is: een vaste last.

Image credit: W.carter / Wikimedia Commons, CC0

Brandt bv leent € 650.000 tegen 6% interest per jaar. Hoeveel interest betaalt zij per jaar?

A

€ 3.900

B

€ 39.000

C

€ 689.000

D

€ 390.000

Syllabus 22.1. Rekenen: 0,06 x 650.000 = 39.000. Afleiders: komma verkeerd (3.900), lening plus interest (689.000), 6% gelezen als 0,6 (390.000). Verwachte fout: de interest bij de lening optellen.

Brandt bv heeft € 30.000 resultaat vóór interest en betaalt € 39.000 interest. Wat is het gevolg?

A

Resultaat van € 9.000, dat het EV vergroot

B

Resultaat van € 69.000 voor de eigenaren

C

Verlies van € 9.000, dat het EV vermindert

D

Geen gevolg, want interest betaal je uit het VV

Syllabus 22.1. Rekenen: 30.000 - 39.000 = -9.000. De vaste interest moet toch betaald worden, dus het EV daalt. Verwachte fout: de bedragen optellen of de interest als kostenloos zien.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Type 3: interest, rendement

  • Je verklaart een verschil in interestpercentage of in geëist rendement.

  • Zoek eerst het risico van de verschaffer: wie verliest als eerste en wie heeft zekerheid?

Deze slide heeft geen instructies

De bank vraagt Zwaluw bv (VV : EV is 5) 9% interest en Merel bv (VV : EV is 0,5) 5%. Wat verklaart het verschil?

A

Zwaluw bv loopt meer faillissementsrisico

B

Zwaluw bv heeft meer onderpand

C

De marktrente verschilt per bedrijf

D

Merel bv heeft minder EV

Syllabus 22.1. Meer VV per euro EV, dus een groter faillissementsrisico en een hogere interest. Verwachte fout: de marktrente of het onderpand aanwijzen zonder naar de verhouding te kijken.

Een nv gaat steeds meer lenen bij banken. Wat gebeurt waarschijnlijk met het geëist rendement van de aandeelhouders?

A

Het daalt, want leningen maken het EV veiliger

B

Het stijgt, want het EV wordt riskanter

C

Het blijft gelijk, want alleen de bank loopt risico

D

Het daalt, want het EV wordt kleiner

Syllabus 22. Meer VV betekent meer vaste lasten vóór de eigenaren, dus meer risico voor het EV en een hoger geëist rendement. Verwachte fout: denken dat alleen de schuldeiser het risico van meer lenen voelt.

Kluisdeur van De Javasche Bank, 2016. Lasthib, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Type 4: lenen of aandelen

  • Je krijgt een organisatie met een geldbehoefte en vergelijkt lenen met nieuwe aandelen.

  • Bereken VV : EV na beide keuzes en noem het gevolg voor het risico van de bank en van de eigenaren.

Image credit: Lasthib / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Mol bv heeft € 250.000 nodig. Lenen maakt VV : EV 3, nieuwe aandelen maken het 1. Wat verlaagt het risico voor de bank?

A

Lenen, want de bank krijgt dan meer interest

B

Lenen, want het totale vermogen groeit meer

C

Geen verschil, want het bedrag is even groot

D

Nieuwe aandelen, want de buffer van EV groeit

Syllabus 22 en 22.1. Mol bv: EV € 250.000 en VV € 500.000. Lenen: 750.000 / 250.000 = 3. Aandelen: 500.000 / 500.000 = 1. Meer EV betekent een grotere buffer, dus minder risico voor de schuldeiser. Verwachte fout: alleen naar het bedrag kijken.

Delta bv: EV € 100.000, VV € 300.000. De bank eist VV : EV hoogstens 2. Hoeveel EV moet erbij?

A

€ 50.000

B

€ 100.000

C

€ 150.000

D

€ 200.000

Syllabus 22.1. Rekenen: VV blijft 300.000, dus EV moet minstens 300.000 / 2 = 150.000 zijn. Erbij: 150.000 - 100.000 = 50.000. Afleiders: het EV verdubbelen (100.000), het benodigde totale EV (150.000), EV gelijk aan VV maken (200.000). Verwachte fout: het benodigde EV noemen in plaats van wat erbij moet.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Verhouding EV en VV

2

Interest en vaste lasten

3

Interest en geëist rendement

4

Lenen of aandelen kiezen

Gebruik de uitslag om te kiezen welk type je klassikaal nabespreekt.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Tips voor op het examen

  • Bereken eerst VV : EV en zet de uitkomst bij je redenering.

  • Rekenen met EV na verlies: EV min verlies, en kijk of het negatief wordt.

  • Vergelijk bij een financieringskeuze VV : EV vóór en na lenen of nieuwe aandelen.

  • Analyseer beide kanten: schuldeisers (VV) en eigenaren (EV).

Deze slide heeft geen instructies