Aandelen en vreemd vermogen (Bedrijfseconomie havo), les 1: Uitleg

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Aandelen en vreemd vermogen

Examenstof bedrijfseconomie havo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over aandelen, vreemd vermogen en risico voor het havo-examen bedrijfseconomie: emissiekoers en beurskoers, lang en kort vreemd vermogen, voor- en nadelen, de verhouding eigen en vreemd vermogen en de voorwaarden van geldschieters, met 6 checks.

Onderdelen in deze les

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Aandelen en vreemd vermogen

Examenstof bedrijfseconomie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D2 19.1-19.5, 20.1-20.2. Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan het verschil tussen emissiekoers en beurskoers uitleggen, de vormen van lang en kort vreemd vermogen vergelijken en risico en voorwaarden van financiering beoordelen.

Deze slide heeft geen instructies

Je start een webwinkel en hebt € 100.000 nodig. Van wie kun je dat geld krijgen?

Verwachte woorden: bank, lening, investeerder, aandelen, eigen geld, familie, leverancier, klanten, hypotheek, interest, risico. Gebruik ze in de les: aandelen en emissiekoers horen bij blok 1, de leningen bij blok 2, interest en risico bij blok 3. Vraag welk woord geld van een eigenaar is en welk woord geld is dat je moet terugbetalen.

Aandeelhoudersvergadering van een beursfonds (VS), 2025

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Aandelen uitgeven

  • Aandelenkapitaal is eigen vermogen dat een nv of bv ophaalt door aandelen uit te geven.

  • Een aandeel is een bewijs dat je een deel van de onderneming bezit: je bent mede-eigenaar.

  • Aandeelhouders krijgen een deel van het resultaat, maar alleen als er resultaat is.

  • De onderneming betaalt aandelenkapitaal niet terug en betaalt er geen vaste interest over.

Syllabus 19 (begrippen aandelenkapitaal en aandeel; aandelenkapitaal is een balanspost van eigen vermogen bij bv en nv). Een aandeelhouder is eigenaar, geen schuldeiser. Dat verschil met vreemd vermogen komt in blok 2 terug. Veelgemaakte fout: denken dat een aandeelhouder het ingebrachte geld terugkrijgt zoals bij een lening. Image credit: Good-investing / Wikimedia Commons, CC0

Een beursscherm met koersen van aandelen, Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Emissiekoers en beurskoers

  • De emissiekoers is de prijs waartegen een onderneming nieuwe aandelen uitgeeft (de emissie).

  • De beurskoers is de prijs waartegen bestaande aandelen op de beurs tussen beleggers wisselen.

  • Opbrengst van de emissie = emissiekoers x aantal geplaatste aandelen.

  • Handel op de beurs levert geld op voor de verkopende belegger, niet voor de onderneming.

Syllabus 19.1: de verschillen tussen beurskoers en emissiekoers uitleggen. De syllabus noemt als opbrengst van een emissie: emissiekoers x geplaatste aandelen (toelichting bij domein D). Voorbeeld: 10.000 aandelen tegen € 8 levert € 80.000 op. De beurskoers verandert voortdurend door vraag en aanbod. Veelgemaakte fout: denken dat de onderneming geld krijgt telkens als haar aandeel op de beurs van eigenaar wisselt. Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Wat bepaalt de emissiekoers?

  • Het beursklimaat is de stemming op de beurs. Bij stijgende koersen en optimisme is een hogere emissiekoers haalbaar.

  • De beurskoers van de bestaande aandelen laat zien wat beleggers willen betalen: de emissiekoers houdt daar rekening mee.

  • Bij een gunstige toekomstverwachting (groei, hogere resultaten) willen beleggers meer betalen voor een aandeel.

  • Een hogere emissiekoers betekent: voor hetzelfde bedrag geef je minder nieuwe aandelen uit.

  • Kies je de emissiekoers te hoog, dan blijven er aandelen onverkocht.

Syllabus 19.2: de invloed van het beursklimaat, de beurskoers en de toekomstverwachting op de emissiekoers uitleggen. Redenering: gunstig klimaat, hoge beurskoers en positieve verwachting, dan kan de emissiekoers hoger; bij een somber klimaat of tegenvallende verwachting moet de emissiekoers omlaag of de onderneming haalt minder geld op. Agio en nominale waarde komen niet aan bod (alleen vwo). Veelgemaakte fout: de emissiekoers als vaste prijs zien die los staat van de beurs.

Wat betaalt een onderneming over haar aandelenkapitaal?

A

Een vaste interest per jaar

B

Interest en een vaste aflossing

C

Alleen een deel van het resultaat, als er resultaat is

D

Een vaste vergoeding, ook bij verlies

Syllabus 19 (begrip aandelenkapitaal). Aandelenkapitaal wordt niet terugbetaald en er is geen vaste interest: aandeelhouders delen alleen in het resultaat. Verwachte fout: een vaste interest kiezen, omdat aandelenkapitaal verward wordt met een lening.

Vul in

De emissiekoers geldt bij het uitgeven van nieuwe aandelen, de beurskoers bij de handel tussen beleggers op de beurs.

emissiekoers
beurskoers
aandelenkapitaal
toekomstverwachting

Syllabus 19.1. Verwachte fout: de twee koersen omdraaien. De emissiekoers hoort bij de onderneming die uitgeeft.

Een bankkantoor in Gouda, 2019

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Lang vreemd vermogen

  • Vreemd vermogen betaal je terug, met interest. Lang is een looptijd van meer dan een jaar.

  • Hypothecaire lening: een bank leent geld met onroerend goed als onderpand.

  • Obligatielening: een grote lening die in obligaties is verdeeld, vaak verhandelbaar op de beurs.

  • Onderhandse lening: een lening van één geldschieter, met afspraken op maat.

Syllabus 19.3: de verschillen tussen hypothecaire lening, obligatielening en onderhandse lening noemen. Hypothecaire lening: onroerend goed is de zekerheid (zie ook het onderwerp over hypotheek bij huren en kopen). Obligatielening: veel beleggers kopen elk een obligatie, zo haalt een grote organisatie veel geld op. Onderhandse lening: de onderneming sluit rechtstreeks met één verstrekker een overeenkomst, bijvoorbeeld een bank of een investeerder. Veelgemaakte fout: de obligatielening zien als eigendom van de onderneming. Een obligatiehouder is schuldeiser. Image credit: Donald Trung Quoc Don / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een bakkerij in een winkelstraat, 2020

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Kort vreemd vermogen

  • Kort vreemd vermogen heeft een looptijd van hooguit een jaar.

  • Rekening-courantkrediet: je mag bij de bank rood staan tot een afgesproken maximum.

  • Leverancierskrediet: je krijgt van je leverancier uitstel van betaling, bijvoorbeeld 30 dagen.

  • Afnemerskrediet: je klant betaalt al vóór de levering, dus je schiet minder zelf voor.

Syllabus 19.4: de verschillen tussen rekening-courantkrediet, leverancierskrediet en afnemerskrediet noemen. Rekening-courantkrediet: je betaalt interest over het bedrag dat je opneemt. Leverancierskrediet staat op de balans als crediteuren. Afnemerskrediet: voorbeeld is een aanbetaling bij een bestelling op maat. Veelgemaakte fout: afnemerskrediet en leverancierskrediet verwisselen. De leverancier is de partij waar je koopt, de afnemer is je klant. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Voor- en nadelen op een rij

  • Hypothecaire lening: meestal lage interest dankzij het onderpand; nadeel: de bank mag het pand verkopen als je niet betaalt.

  • Obligatielening: veel geld van veel beleggers; nadeel: dure uitgifte en alleen haalbaar voor grotere organisaties.

  • Onderhandse lening: snel en op maat te regelen; nadeel: je bent afhankelijk van één geldschieter en diens eisen.

  • Rekening-courantkrediet: flexibel, je betaalt alleen over wat je opneemt; nadeel: meestal hoge interest.

  • Leveranciers- en afnemerskrediet: meestal zonder interest; nadeel: korte looptijd en je bent afhankelijk van je relaties.

Syllabus 19.5: de voor- en nadelen van de financieringsmogelijkheden uitleggen vanuit de organisatie die vermogen wil aantrekken. Laat leerlingen per vorm steeds kijken naar drie dingen: wat kost het (interest), hoe lang kun je het gebruiken en wat moet je geven (onderpand, eisen). Een examenvraag vraagt vaak om het afwegen: kies de vorm waarvan de voordelen voor deze organisatie groter zijn dan de nadelen. Veelgemaakte fout: één vorm de beste noemen zonder te kijken naar het doel en de looptijd.

Welke vorm van vreemd vermogen is lang vreemd vermogen?

A

Obligatielening

B

Rekening-courantkrediet

C

Leverancierskrediet

D

Afnemerskrediet

Syllabus 19.3 en 19.4. Verwachte fout: rekening-courantkrediet, omdat een bank betrokken is. Dat is kort vreemd vermogen: je kunt het opnemen en weer aflossen binnen een jaar.

Vul in

Bij afnemerskrediet betaalt je klant al vóór de levering. Bij rekening-courantkrediet mag je rood staan tot een afgesproken maximum.

afnemerskrediet
rekening-courantkrediet
leverancierskrediet
hypothecaire lening

Syllabus 19.4. Verwachte fout: afnemerskrediet en leverancierskrediet verwisselen.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Verhouding eigen en vreemd

  • Faillissementsrisico is de kans dat een organisatie haar schulden niet meer kan betalen en failliet gaat.

  • Vreemd vermogen vraagt interest en aflossing, ook in slechte jaren. Een aandeelhouder krijgt alleen iets bij resultaat.

  • Veel vreemd vermogen in verhouding tot eigen vermogen: groter faillissementsrisico.

  • Geldschieters zien dat risico en vragen dan een hoger interestpercentage op het vreemd vermogen.

  • Veel eigen vermogen werkt als buffer bij verlies. Het nadeel: meer eigenaren die meebeslissen en het resultaat delen.

Syllabus 20.1: de gevolgen van de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen voor het interestpercentage op vreemd vermogen en het faillissementsrisico analyseren. Hier alleen de verhouding in woorden; de solvabiliteitsratio's (EV/VV, VV/TV) horen bij een later onderwerp (kengetallen). Redenering: meer vreemd vermogen, dus meer vaste verplichtingen, dus groter risico dat het niet lukt, dus een hogere vergoeding (interest) voor de geldschieter. Veelgemaakte fout: denken dat meer lenen altijd goedkoper is, omdat je niets hoeft uit te keren aan eigenaren.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Voorwaarden van geldschieters

  • Vermogensverschaffers, zoals banken en beleggers, stellen eisen voordat ze geld geven.

  • Rendementseis: het minimale rendement dat de verschaffer wil voor het risico dat het geld loopt.

  • Solvabiliteitseis: de organisatie moet genoeg eigen vermogen hebben in verhouding tot het vreemd vermogen.

  • Liquiditeitseis: de organisatie moet op korte termijn genoeg geld hebben om haar schulden te betalen.

  • Onderpand: een bezit, zoals een pand of machine, dat de verschaffer mag verkopen als de lening niet wordt betaald.

Syllabus 20.2: de voorwaarden die vermogensverschaffers stellen uitleggen. Bij de aanvraag kijkt een financier naar onder meer vermogensstructuur en zekerheden (onderpand), zoals de toelichting bij domein D beschrijft. Een hoger risico geeft een hogere rendementseis. De solvabiliteitseis gaat over de lange termijn (eigen versus vreemd vermogen), de liquiditeitseis over de korte termijn (kunnen betalen). Veelgemaakte fout: solvabiliteit en liquiditeit verwisselen.

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Aandelen of lening kiezen

  • Aandelen uitgeven: geen aflossing of vaste interest, maar je deelt zeggenschap en resultaat.

  • Lening: je blijft eigenaar, maar interest en aflossing moeten altijd betaald worden.

  • Te veel lening verhoogt het faillissementsrisico en de interest die geldschieters vragen.

  • Een goede keuze weegt zeggenschap, kosten, risico en de eisen van de verschaffer tegen elkaar af.

Syllabus 19.5 en 20.1: voor- en nadelen afwegen vanuit de organisatie. Een organisatie die haar zeggenschap wil houden kiest eerder een lening; een organisatie met een groot risico op tegenvallers kiest eerder eigen vermogen. Beide kunnen goed zijn: het gaat om de redenering. Veelgemaakte fout: één voordeel noemen en het bijbehorende nadeel vergeten. Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Vul in

Een organisatie met veel vreemd vermogen loopt een groter faillissementsrisico.

vreemd
groter
eigen
kleiner

Syllabus 20.1. Verwachte fout: eigen invullen, omdat eigen vermogen als risicovol voelt. Eigen vermogen werkt juist als buffer.

Welke eis houdt in dat een organisatie op korte termijn kan betalen?

A

Solvabiliteitseis

B

Liquiditeitseis

C

Rendementseis

D

Onderpand

Syllabus 20.2. Verwachte fout: solvabiliteitseis. Solvabiliteit gaat over de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, liquiditeit over betalen op korte termijn.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Emissiekoers en beurskoers

2

Lang en kort vreemd vermogen

3

Voor- en nadelen afwegen

4

Risico en voorwaarden

Gebruik de uitslag om te bepalen welk blok je nog een keer doorloopt. Bij veel stemmen op risico en voorwaarden: loop de vier eisen langs met een voorbeeld per eis.

Wat wil een geldschieter van jou weten?

Een goed antwoord noemt een of meer voorwaarden: welk risico er is en welk rendement daarbij hoort, of er genoeg eigen vermogen is, of je op korte termijn kunt betalen, en welk onderpand je kunt geven. Verwachte fout: alleen noemen hoeveel geld je nodig hebt.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Begrippen (1/2)

  • emissiekoers: Prijs waartegen een onderneming nieuwe aandelen uitgeeft.

  • beurskoers: Prijs waartegen aandelen op de beurs worden verhandeld.

  • lang vreemd vermogen: Vreemd vermogen met een looptijd van meer dan een jaar.

  • kort vreemd vermogen: Vreemd vermogen met een looptijd van hooguit een jaar.

  • obligatielening: Grote lening, verdeeld in obligaties die beleggers kopen.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Begrippen (2/2)

  • afnemerskrediet: Je klant betaalt al vóór de levering.

  • rendementseis: Minimale opbrengst die een verschaffer eist voor het risico.

  • solvabiliteitseis: Eis dat je genoeg eigen vermogen hebt naast het vreemd vermogen.

  • liquiditeitseis: Eis dat je op korte termijn je schulden kunt betalen.

  • onderpand: Bezit dat de verschaffer mag verkopen bij niet betalen.

Deze slide heeft geen instructies