H4 inkomen

H4 inkomen
1 / 90
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 90 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

H4 inkomen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

4.1 de inkomens verschillen
  • primaire inkomen
  • modaal inkomen
  • Lorenzcurve
  • secundair inkomen
  • overdrachtsinkomen
  • armoedeval
  • vergrijzing 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten inkomsten
Met en zonder tegenprestatie
  • Inkomen met tegenprestatie
    - inkomen uit arbeid
    - inkomen uit bezit
  • Inkomen zonder tegenprestatie
    - overdrachtsinkomens

Het inkomen wat het meeste voorkomt in Nederland wordt het modaal inkomen genoemd

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Video

Deze slide heeft geen instructies

4.2 inkomens: hoog tegenover laag
  • nivellering
  • denivellering
  • zwartgeld
  • grijsgeld 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nominaal en Reëel BBP
Het nominaal inkomen is het inkomen dat je verdient in euro's. Wanneer er ook rekening wordt gehouden met inflatie spreken we van het reëel inkomen. Het reëel inkomen geeft dus eigenlijk ook je koopkracht aan.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen
Reëel inkomen (koopkracht van je inkomen)
Als je rekening houdt met de gevolgen van inflatie voor je inkomen, spreek je van een reëel inkomen.

Formule: nominale inkomensverandering (%)-inflatie (%)= reëel inkomensverandering
Jip en Janneke taal: wijziging loon - de prijsstijging/daling= je koopkracht verandering

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nivellering en denivellering
Nivellering = verkleinen van de relatieve inkomensverschillen

Denivellering = vergroten van de relatieve inkomensverschillen

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Leg in eigen woorden uit wat nivellering en denivellering beteken.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

4.3 de prijsindex
Leerdoel: 
Je kunt de veranderingen van prijzen berekenen aan de hand van indexcijfers.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inflatie en CPI
Wat is inflatie en hoe wordt het berekend?

Begrippen:
- inflatie 
- deflatie
- consumentenprijsindex (CPI)

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inflatie     -     Deflatie
Inflatie = stijging van het algemeen prijspeil
                    (producten worden duurder)
                                             daling van het algemeen prijspeil= Deflatie

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2.3 Koopkracht
Inflatie
Het CBS meet de inflatie (= stijging van het gemiddelde prijspeil). 
  • Kosteninflatie: Producenten rekenen kostenstijging door in prijzen
  • Bestedingsinflatie: Prijzen stijgen doordat er meer vraag naar een product is.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Deflatie is het tegenovergestelde van inflatie en heeft ook het 
tegenovergestelde effect op gespaard of geleend geld.

Deflatie: 
Een algemene daling van de prijzen in een bepaalde periode.

Slide 16 - Tekstslide

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Indexcijfers
Berekeningen indexcijfers:

  • (getal van nieuw jaar : getal van het basisjaar) × 100 = indexcijfer
     
  • tabel


€2,75
€2,51
indexcijfer
100
????

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Consumentenprijsindex
- Je kunt met behulp van de prijsindex de procentuele stijging of daling van de prijs van goederen en diensten berekenen

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prijsindexcijfer
De inflatie is de stijging van de consumentenprijsindex (CPI). Dit is een prijsindexcijfer dat weergeeft hoeveel de consumentenprijzen stijgen.
Het CPI wordt gemaakt door van alle producten (verschillende groepen) te kijken hoeveel het in prijs is gestegen.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samengesteld gewogen prijsindexcijfer

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

4.3 de prijsindex
Leerdoel: Ik kan veranderingen van prijzen berekenen aan de hand van indexcijfers.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.4 de prijs van een pizza
Leerdoel: Ik kan uitleggen waarom prijzen stijgen.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

* Evenwichtsprijs = consumentenprijs

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inflatie
Oorzaken inflatie: 
  • Stijging van de vraag (bestedingsinflatie)
  • Kosten stijgen bij bedrijven (kosteninflatie)
  • Stijging importprijzen
  • De overheid vraagt meer geld

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.4 de prijs van een pizza
Nog meer oorzaken voor inflatie (prijsstijgingen)
  • Bedrijfskosten stijgen 
  • loonkosten, energiekosten, grondstofkosten worden       duurder
  • De kosten worden doorgerekend naar de verkoopprijs. 
  • Dit is kosteninflatie

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bestedingsinflatie
  • Consumenten meer te besteden
  • Vraag naar producten neemt toe
  • Productie neemt toe, maar niet voldoende

--> Er is teveel vraag naar producten en daarom worden producten duurder. 

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gaan de prijzen stijgen? Kies het juiste antwoord.
Als de vraag/het aanbod  groter is dan de vraag/het aanbod

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
4.4 opdracht 7 t/m 11 en rekentrainer paragraaf 4 blz. 

Gisteren afwezig? Dan ook het huiswerk nakijken van 4.3 en introductie vragen 4.4 maken.

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
4.4 opdracht 7 t/m 11 + rekentrainer nakijken

uitleg 4.5 en 4.6

huiswerk maken 

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.5 gevolgen van inflatie
Inflatie betekent dat het geld minder waard wordt. Voor dezelfde hoeveelheid geld kun je dus minder kopen. En dat is vervelend voor veel mensen, bijvoorbeeld voor mensen
met veel spaargeld. Maar inflatie heeft ook voordelen. In deze paragraaf leer je meer over de voordelen en nadelen van inflatie.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.5 gevolgen van inflatie
Je leert vandaag wat de gevolgen zijn van inflatie, het minder waard worden van geld. 
Daarnaast leer je over de koopkracht van het inkomen. Hierbij wordt gekeken naar het reëel en nominaal inkomen. 

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Link

Deze slide heeft geen instructies

  Inflatie:

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.5 gevolgen van inflatie
Voordeel inflatie
  • Door inflatie wordt geld minder waard en daarmee ook schulden. De waarde van de schuld is minder hoog dan op het moment dat je de schuld aanging. 

Het afbetalen van rente en aflossing wordt steeds makkelijker.

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.5 gevolgen van inflatie
Voordelen van inflatie:
  • de waarde van je schuld wordt minder
  • voor de concurrentiepositie als de inflatie in het buitenland groter is dan in Nederland

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.5 gevolgen van inflatie
Nadelen van inflatie voor de consument:
  • koopkracht daalt
  • Spaargeld wordt minder waard als de rente de inflatie niet compenseert 
  • Ondernemersrisico wordt groter (inschatten van kosten zoals loon/ grondstofprijzen/ rente van leningen wordt lastiger, waardoor ze de prijs lastiger kunnen bepalen)

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.5 gevolgen van inflatie
concurrentiepositie:
Inflatie in Nederland is nadelig voor de concurrentie positie van ondernemers ten opzichte van het buitenland. (ze zijn duurder t.o.v. buitenlandse ondernemers)
Inflatie in het buitenland kan voordelig zijn voor de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers. (ze zijn goedkoper ten opzichte van buitenlandse ondernemers)

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 Reëel en nominaal inkomen
Het is natuurlijk leuk als je meer gaat verdienen. Maar als de prijzen van de producten die je koopt ook stijgen, schiet je daar dan wel iets mee op? Vakbonden willen daarom dat de lonen in ieder geval mee stijgen met de prijzen. En als het kan, willen ze dat de loonstijging hoger is dan de prijsstijging. 
In deze paragraaf leer je over de koopkracht
van het inkomen.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen 4.6 reëel en nominaal inkomen
Aan het eind van de les:

Weet je wat het verschil is tussen het nominale inkomen en het reëel inkomen

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen
Samengevat:
Nominaal inkomen = Wat iemand feitelijk aan Euro's verdient. (inkomen in euro's)
Reëel inkomen = nominaal inkomen gecorrigeerd voor prijsstijgingen. (koopkracht)
vraag:
Waarom is reëel inkomen een betere maatstaf?

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen
Reëel inkomen berekenen
Formule: 
nominale inkomensverandering (%) - inflatie (%) = reële inkomensverandering
Stijging of daling in procenten bereken
Formule:
nieuw - oud : oud x 100 = stijging of daling in %
(ook wel deel : geheel x 100 of verschil : geheel x 100)

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen
Reëel inkomen berekenen
Formule: 
nominale inkomensverandering (%) - inflatie (%) = reële inkomensverandering

Je nominale inkomen stijgt met 5%. De inflatie is 3%.
5% - 3% = 2% 
Je reële inkomen stijgt dus met 2%

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening 
antwoord
nominaal nationaal inkomen: (350 − 320) : 320 × 100 = 9,4% (gestegen)
inflatie: (140 − 130) : 130 × 100 = 7,7%

reëel nationaal inkomen: stijging van 9,4% − 7,7% = 1,7%

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen
nominaal nationaal inkomen
  • Alle primaire inkomens (loon, rente, huur, winst en pacht) bij elkaar opgeteld van alle inwoners.

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prijscompensatie en de loonprijspiraal
Prijscompensatie: Als de lonen net zo veel stijgen als de prijzen.

Hogere lonen betekenen voor bedrijven hogere kosten. Die kosten berekenen zij door in de verkoopprijs van hun producten. Als de prijzen stijgen, willen de werknemers weer loonverhoging enzo. 

Dit is de loon-prijsspiraal en die zorgt voor voortdurende inflatie

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prijzen
Prijscompensatie              de lonen stijgen evenveel als de prijzen

Loon-prijsspiraal                Loon en prijzen blijven stijgen

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.6 reëel en nominaal inkomen
rekenmethodes inflatie:

reëel inkomen = nominaal inkomen - inflatie
Nominaal inkomen = reëel inkomen + inflatie
Inflatie = nominaal inkomen - reëel inkomen

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
4.5 opdracht 6 t/m 13

4.6 opdracht 1 t/m 4 en 6, 7, 10

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
Nakijken 4.5 opdracht 6 t/m 13 en 4.6 opdracht 1 t/m 4 en 6, 7, 10

maken rekentrainer paragraaf 6

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
nakijken rekentrainer paragraaf 6

uitleg 4.7

huiswerk maken

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4.7 Economisch beleid
De Nederlandse overheid vindt economische groei goed voor consumenten, ondernemers en ook voor de overheid zelf, want die ontvangt dan meer belasting. Maar hoe zorg je daar als overheid voor? En moet de overheid zich wel zoveel met de
economie bemoeien? 
Deze paragraaf gaat over het economisch beleid van de overheid.

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In deze les leer je:
- het verschil tussen een planeconomie en 
  een vrijemarkteconomie;
- dat Nederland een sociale markteconomie is;
- over de instellingen CBS, CPB en SER;
- wat we bedoelen met het BBP;
- over economische groei, recessie en 
  economische crisis.

Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Je kunt uitleggen hoe de economie in ons land georganiseerd is en wat de invloed van de overheid daarop is.
  • Je weet het verschil tussen een planeconomie, een vrije markteconomie of een sociale markteconomie.

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reguleren
Dereguleren
Privatiseren
Nationaliseren

Slide 56 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Planeconomie
- Landen organiseren hun economie op verschillende manieren.

- Planeconomie: De overheid bepaald wat er wordt geproduceerd, hoeveel, door wie en welke prijs het wordt verkocht. ( Didactuurlanden)


Slide 57 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vrijemarkteconomie
  • Vraag en aanbod bepalen de prijs.
  • Overheid grijpt niet in.

Komt niet voor. 
VS komt in de buurt.

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

En Nederland dan?
Veel landen zitten tussen een planeconomie en een vrije markteconomie in: 
Gemengde economie = 
Georiënteerde markteconomie

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De Europese Centrale Bank (ECB)
De taken van de ECB:



Hoofdkantoor in Frankfurt am Main, Duitsland
De ECB brengt eurobankbiljetten in omloop.
De ECB stelt de hoogte van de rente vast die banken moeten betalen als ze geld van de ECB lenen.
De ECB bewaakt de waarde van de euro. Door te zorgen dat de inflatie laag blijft, behoudt de euro z'n koopkracht.

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ingrijpen door ECB

Slide 61 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samen maken
4.7 opdracht 1 t/m 6 

Slide 62 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
4.7 opdracht 7 t/m 12

Slide 63 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lorenzcurve

Slide 64 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

oefening
antwoord
De rijkste 20% verdient 40% van het totale inkomen.
Het totale inkomen is 846 miljard. 
846:100x40=345,6 miljard wat de rijkste 20% van de bevolking verdient.

Er zijn 20 miljoen huishoudens. Bereken dus 20% van 20 miljoen. 20:100x20 = 4 miljoen huishoudens. 

345,6 miljard : 4 miljoen = €86.400 per huishouden.

Slide 65 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De vergrijzing

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vergrijzing
Wat is het?
Wat zijn de gevolgen?
Hoe herken je het?

Slide 67 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De negatieve gevolgen van de vergrijzing voor de overheid gaan
voornamelijk over de kosten van de vergrijzing, bijvoorbeeld de uitgaven
aan AOW-uitkeringen.

Slide 68 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nivellering / denivellering
Nivellering = Verschil tussen arm en rijk wordt kleiner

Denivellering: verschil tussen arm en rijk wordt groter

Slide 69 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nivellering en denivellering

Slide 70 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomensverschillen
Inkomensverschillen ontstaan onder andere door:
  • Onregelmatige diensten
  • Leeftijd
  • Opleiding
  • Ervaring
  • Zwaar of gevaarlijk
  • Verantwoordelijk werk

Slide 71 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomensverschillen

Slide 72 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indexcijfer
Een indexcijfer laat een verandering zien.
Cijfers worden vergeleken met het basisjaar.
Het indexcijfer van het basisjaar is 100.

Slide 73 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indexcijfers
Berekeningen indexcijfers:


                                                        Het basisjaar is te herkennen aan 
                                                        een indexcijfer van 100


timer
2:30

Slide 74 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indexcijfers
Bereken het indexcijfer van 2020.

Jaar
Bedrag
Indexcijfer
2018
€ 20.460,00
100
2019
€ 20.869,20
102
2020
€ 22.096,80

Slide 75 - Tekstslide

22096.8-20460 = 1636.8

1636.8 / 20460 = 0.08 * 100 = 8 toename
 100 + 8 =108 indexcijfer
Inflatie
Inflatie is de stijging van de prijzen van goederen en diensten over een bepaalde periode. 

Slide 76 - Tekstslide

Leg uit wat inflatie is en hoe het de waarde van geld beïnvloedt.
Wat moet je kennen/ kunnen?
  • Wat is inflatie?
  • Wat is koopkracht?
  • Wie berekent de inflatie en hoe?
  • Wat is het gevolg van inflatie op je koopkracht?
  • Rekenen met indexcijfers

Slide 77 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

kosteninflatie (aanbod)
kosteninflatie: oorzaak ligt aan de aanbodkant
  1. Kosten van produceren nemen toe. Bijvoorbeeld door stijgen van lonen of van grondstoffen, hogere belastingen, etc. 
  2. Om de winst te behouden, zullen bedrijven de prijzen laten stijgen. Oftewel: kosteninflatie.
     

Slide 78 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bestedingsinflatie
  • Consumenten meer te besteden
  • Vraag naar producten neemt toe
  • Productie neemt toe, maar niet voldoende

--> Er is teveel vraag naar producten en daarom worden producten duurder. 

Slide 79 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 3.15
a. Welk schema hoort bij kosteninflatie?
  • schema B

Slide 80 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

CPI (samengesteld gewogen)

Slide 81 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ongewogen en gewogen
1. Samengesteld ongewogen prijsindex



 2. Samengesteld gewogen prijsindex

Slide 82 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

CPI (3)
Prijsindex
102
105
103
98
101,8
Iedere artikelgroep krijgt naast een gewicht ook een prijsindexcijfer.
Je berekent het CPI door vervolgens het gewogen gemiddelde uit te rekenen.

Opdracht: bereken het CPI in deze situatie

Slide 83 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening
Stel dat in de tabel alle productgroepen staan die Nederlanders gebruiken. Stel het prijspeil van begin 2019 op 100.
Bereken het gewogen gemiddelde prijspeil (de CPI) van eind 2019. Noteer de volledige berekening.
antwoord
103 × 20 + 101 × 10 + 104 × 20 + 101 × 10 + 103 × 10 + 102 × 30 = 10.250
10.250 : 100 = 102,5 afgerond 103

Slide 84 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doel
Theorie:
  • Ik kan uitleggen wat inkomsten uit arbeid zijn.
  • Ik kan verschillende inkomsten uit arbeid benoemen.
  • Ik kan uitleggen hoe loonverschillen ontstaan.

Rekenvaardigheden:
  • Ik kan bedragen omrekenen naar een andere periode.
  • Ik kan het vakantiegeld uitrekenen.
            

Slide 85 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomen
Inkomen is alles wat je ontvangt.

We hebben inkomsten MET tegenprestatie en inkomsten ZONDER tegenprestatie

Inkomsten kunnen we onderverdelen in:
  1. Inkomsten uit arbeid;
  2. Inkomsten uit natura;
  3. Inkomsten uit bezit
  4. Overdrachtsinkomen.

Slide 86 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten inkomsten
Inkomen uit arbeid en bezit lever je een tegenprestatie voor

Slide 87 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening
antwoord
1= winst
2= rente

Slide 88 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stijging of daling in procenten bereken
Formule:
nieuw - oud : oud x 100 = stijging of daling in %

(ook wel deel : geheel x 100 of verschil : geheel x 100)

Slide 89 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rente, inflatie en groei
De overheid wil graag een lage rente. Bedrijven en consumenten kunnen dan goedkoper geld lenen. Dat is goed voor de economische groei, de groei van de productie. En de overheid hoeft dan minder rente te betalen over de staatsschuld. De ECB bepaalt de rentestand waartegen banken en instellingen geld kunnen lenen. Maar de ECB kan de rente niet zomaar verlagen. De ECB moet ook de inflatie in de eurozone op ongeveer 2% houden. Bij een oplopende inflatie verhoogt de ECB zijn rente, waardoor lenen duurder wordt. De consument koopt dan minder snel producten, waardoor bedrijven niet meer zo makkelijk hun prijzen verhogen. Zo probeert de ECB de inflatie te remmen.

Slide 90 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies