Week 4: Nieuwsbericht

Week 4
les 1
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 150 min

Onderdelen in deze les

Week 4
les 1

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
Nieuwsberichten

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelen
Je kent de kenmerken van een nieuwsbericht.
Je kan belangrijke informatie uit een nieuwsbericht halen.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ken jij het nieuws?
Bekijk het belangrijkste nieuws van deze week.
Na 5 minuten krijg je een testje!
timer
1:00

Slide 4 - Tekstslide

De leerlingen mogen gedurende 5  minuten online het laatste nieuws opzoeken. Dit mag in het Engels en ze mogen aantekeningen maken.
Na 5 minuten volgt een quiz (zie LU kanalen, Nieuwsquiz). Leerlingen loggen per groepje in en mogen tussendoor niet Googlen.
Maak aantekeningen!
Beantwoord onderstaande vragen:
1. Welke onderwerpen?
2. Kies 1 onderwerp
a. Waar speelt het? 
b. Benoem 3 feiten 
c. Welke bronnen geven informatie en waarover? (getuigen, slachtoffers, experts)

Slide 5 - Tekstslide

Link: 

https://npo.nl/start/afspelen/nos-journaal-in-makkelijke-taal_378 
Belangrijkste kenmerken
Overleg eerst met je groepje.

Komt het overeen met wat jullie bedacht hadden?

Slide 6 - Tekstslide

Laat leerlingen eerst zelf kenmerken bedenken. Bekijk daarna samen het document in de bijlage. Voorbeeld staat in map. 
Lees het bericht en controleer/onderstreep onderstaande kenmerken:

- Pakkende titel
- Plaats en datum
- Lead: Wie, wat, wanneer en waar
- Formeel taalgebruik
- Feiten/geen meningen
- Alinea's

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken nieuwsbericht
1. Een nieuwsbericht bevat feiten. Het bericht is bedoeld om de lezer over een
bepaald nieuwsfeit te informeren.
2. Een nieuwsbericht is volledig. Het bericht geeft antwoord op de w+h-vragen (wie?
wat? waar? wanneer? waarom? hoe?).
3. Een nieuwsbericht is een relatief korte tekst.
4. Een nieuwsbericht heeft een dikgedrukte en grotere titel, een lead (dikgedrukte
eerste alinea) en alinea-indeling. De opmaak van de tekst is veelal in kolommen.
5. Bij een nieuwsbericht staat de belangrijkste informatie altijd bovenaan. De tekst
gaat van belangrijk naar minder belangrijk. De tekst is als het ware 'oprolbaar'. Als je
de tekst 'oprolt' blijft steeds het belangrijkste over.
6. Een nieuwsbericht is geschreven in algemeen beschaafd Nederlands. Fouten in
spelling en zinsbouw zijn natuurlijk zeer ongewenst.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

* Extra *
Schrijf de werkwoorden in de vt (Verleden Tijd) op en zet daar achter:
- het hele werkwoord
- de betekenis

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Week 4
les 2

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
Nieuwsbericht schrijven
Herhalen vt

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelen
Je kan een nieuwsartikel schrijven in de vt

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De vt (verleden tijd)
Hoe doe je dat ook alweer?

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ZWAKKE en STERKE

werkwoorden


Wat is het verschil?

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

STERKE

werkwoorden


hebben de KRACHT om in de verleden tijd van klank te veranderen

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

REGELS verleden tijd

bij sterke werkwoorden


In het enkelvoud: schrijf op zoals het klinkt

In het meervoud: schrijf op zoals het klinkt


Je moet ze niet snappen maar......LEREN!

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VOORBEELD

STERKE WERKWOORDEN


kopen : ik koop - ik kocht

lopen : ik loop - ik liep

geven : wij geven - wij gaven

kruipen : zij kruipen - zij kropen

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

REGELS verleden tijd

bij zwakke werkwoorden


In het enkelvoud: stam + te / stam + de


In het meervoud: stam + ten / stam + den

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ZWAKKE

werkwoorden


De klank blijft in de verleden tijd hetzelfde

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

REGELS verleden tijd

bij zwakke werkwoorden


- Als je het woord langer maakt kan je het vaak horen, bv. ik hoor(de)

- Gebruik een ezelsbruggetje als je

het niet (zeker) weet

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

fietsen

Ik haal 'en' eraf.........fiets (= de stam)
De 's' zit wel in het 't ex kofschip dus.....
Ik fietste

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

MAKEN
VT - Ik ..... mijn huiswerk
A
maakde
B
maakden
C
maakte
D
maakten

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

HALEN
VT - Jij ..... op tijd de finish
A
haalde
B
haalden
C
haalte
D
haalten

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

GRENZEN
VT - Het huis ..... aan het bos
A
grenste
B
grensten
C
grensde
D
grensden

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

LEIDEN
VT - De gids ..... ons door de diepe grot
A
leide
B
leiden
C
leidde
D
leidden

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meer uitleg nodig?
Bekijk het filmpje op de volgende dia!

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden ....... Verleden tijd
In de video hieronder wordt alles over deze tijd uitgelegd.

Slide 28 - Tekstslide

Bekijk de uitlegvideo over de verleden tijd.

Nieuwsartikel schrijven
* Kies een titel
* Gebruik de 8 woorden in de verleden tijd
* Let op de kenmerken (zie Toddle)
* Markeer/onderstreep alle werkwoorden in de vt
* 250-300 woorden

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kies een titel:

1. De vliegende auto is er: Files zijn verleden tijd
2. Slimme bril vervangt de smartphone: Hoe werkt het?
3. Primeur: Eerste huis uit de 3D-printer in Nederland
4. Geen plastic meer: Supermarkt wint prijs voor beste idee
Gebruik deze 8 woorden:

1. werd/werden (worden=become)
2. was/waren (zijn=be)
3. kwam/kwamen (komen=come)
4. ontdekte/ontdekten (ontdekken=discover)
5. kon/konden (kunnen=can)
6 vond/vonden (vinden=find/think)
7. maakte/maakten (maken=make)
8. wilde/wilden

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Week 4
les 3

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
- Feedback op nieuwsartikel
- Voorwerp van de toekomst bedenken/beschrijven

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelen
Je kan beschrijven hoe iets werkt.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorwerp beschrijven

Slide 34 - Tekstslide

Iedereen staat in een grote kring.
De docent heeft een voorwerp en beschrijft het; bv. dit is een gum en je kan er potlood mee uitvegen.
Dan geeft hij/zij het voorwerp door aan de volgende leerling. Deze bedenkt er een andere functie voor. bv. Nee, dit is een kauwgom, het maakt je tanden schoon. De volgende persoon bedenkt weer een nieuwe functie. bv. nee, dit is een spieksteen, hierop zet je de antwoorden van de toets, enz. Dit kan je herhalen met verschillende voorwerpen.
Ontwerpwedstrijd
Bedenk met je groepje een voorwerp uit de toekomst. Teken het of maak een model. Vervolgens maak je er een beschrijving bij. Dit presenteer je aan de klas.

Wie wint de prijs voor de beste uitvinding?

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies