Stofwisseling in de cel

Stofwisseling in de Cel
1 / 64
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologyTertiary Education

In deze les zitten 64 slides, met tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Stofwisseling in de Cel

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag
  • Wat is stofwisseling 
  • Energie transport
  • Enzymen

Slide 2 - Tekstslide

Stofwisseling
Is precies wat het woord zegt:

Je wisselt één stof voor een andere.

Slide 3 - Tekstslide

Stofwisseling
Stofwisseling gebeurt in de cellen, hier spelen allerlei processen om de cellen in stand te houden.
(Deling, eiwitsynthese etc.)

Voor deze processen is energie nodig.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Stofwisseling
Door stofwisseling ontstaan er nieuw stoffen, sommige van deze stoffen zijn niet meer bruikbaar. Deze worden ook wel afvalstoffen genoemd.

Ook deze afvalstoffen moeten worden afgevoerd ook hiervoor is energie nodig.

Slide 6 - Tekstslide

Organische en anorganische stoffen
In celstofwisseling spelen twéé soorten stoffen een grote rol. Namelijk "Organische" stoffen en "Anorganische" stoffen.

Slide 7 - Tekstslide

Organisch

Anorganisch
  • Grote moleculen
  • Bevatten véél chemische energie
  • Bevatten  ketens van koolstof atomen (C)
  • In combinatie met waterstof atomen (H)
  • Vaak zuurstof atomen (O) 
  • Kleine moleculen
  • Bevatten weinig chemische energie

Slide 8 - Tekstslide

Organisch

Anorganisch
  • Glucose
    (C6H12O6) 
  • Koolhydraten
    (lange glucose strengen)
  • Alcoholen
    (C2H5OH) 
  • DNA
  • Water
    (H2O)
  •  Ammoniak
    ( NH3)
  • Natriumchloride / tafelzout
    (NaCl) 

Slide 9 - Tekstslide

Assimilatie en Dissmilatie
Assimileren is het proces van máken van grotere, organische, moleculen uit kleinere moleculen.

Dissimilatie is het bréken van grotere organische moleculen náár kleinere moleculen.

Slide 10 - Tekstslide

Assimilatie
Dissimilatie
  • Kost energie
  • Slaat energie op


Bijvoorbeeld:

Koolstofassimilatie 
Oftewel fotosynthese
  • Levert energie 
  • levert , vaak, afvalstoffen op


Bijvoorbeeld:

Glucosedissimilatie 

Slide 11 - Tekstslide

Autotrofe en heterotrofe organismen
De stofwisseling in cel verschilt bij autotrofe en heterotrofe organismen.

Autotroof en Heterotroof
Celstofwisseling verschilt bij autotrofe en heterotrofe organismen.
Autotroof
Heterotroof

Slide 12 - Tekstslide

Autotrofe organisme
Autotrofe organismen zijn uniek, zij zijn de enige die aan koolstof assimilatie kunnen doen (Fotosynthese)

Fotosynthese is het proces van lichtenergie omzetten in chemische energie.

Slide 13 - Tekstslide

licht energie
6Co2 + 6H2O      =>    C6H12O6 + 6O2 

Slide 14 - Tekstslide

Fotosynthese
Fotosynthese vind plaats in de bladgroenkorrels van een plant, oftewel de chloroplasten.
Chloroplasten zien er zo uit van binnen. 
Aan de binnenkant zitten een soort platte cel organellen die fotosynthese kunnen faciliteren.

Slide 15 - Tekstslide

Voortgezette Assimilatie
Voortgezette assimilatie is eigenlijk Assimilatie met een assimilatie product.

Voortgezette assimilatie is bijvoorbeeld het assimileren van DNA, eiwitten, vetten, koolhydraten
Over het algemeen wordt dit gedaan met behulp van glucose.

Slide 16 - Tekstslide

Heterotrofe organismen
Heterotrofen organismen doen níet aan koolstofassimilatie. Daar hebben ze de chloroplasten niet voor.

Wel doen heterotrofen aan voorgezette assimilatie. De producten voor die voortgezette assimilatie verkrijgen zij uit voedsel producten.

Slide 17 - Tekstslide

Koolhydraten
Koolhydraten zijn een product van voortgezette assimilatie:
- Monosachariden  enkelvoudige suikers met maximaal 6 C-atomen  Glucose

- Disachariden    twee sachariden ketens maltose, lactose en sacharose


- Polysachariden  meerdere sachariden ketens  zetmeel, glycogeen, cellulose


Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Sacharides
Suikers worden dus gevormd door koolstofassimilatie door autotrofe organismen.
Suikers bestaan uit C, H en O atomen.

Glucose levert de energie voor het opbouwen van de grotere moleculen.

Slide 22 - Tekstslide

Eiwitten
Eiwitten bestaan uit Aminozuren.
Er bestaan zo'n 22 aminozuren, waarvan wij er 13 zelf kunnen produceren ook wel de niet-essentiële aminozuren en 9 die wij niet kunnen maken essentiële aminozuren

Let wel: wij kunnen níet van de grond op een aminozuur produceren.

Slide 23 - Tekstslide

Aminozuren
Aminozuren bestaan uit:
  • Centraal C-atoom
  • Aminogroep (NH2)
  • Carboxylgroep (COOH)
  • H- atoom
  • restgroep (Bijv. stikstof of zwavel)

Slide 24 - Tekstslide

Aminozuren
Aminozuren worden geproduceerd door planten met glucose en stikstofhoudende ionen.
Dit kost energie en die energie wordt geleverd door ATP.

Slide 25 - Tekstslide

Aminozuren
Alléén planten kunnen zélf aminozuren maken (met de grondstoffen).

Dieren kunnen alleen bestaande aminozuren om husselen en daarmee nieuwe vormen.

Slide 26 - Tekstslide

Vetten
Er zijn twee belangrijke groepen vetten:

Triglyceriden
en
Fosfolipiden.

Slide 27 - Tekstslide

Triglyceriden
Bestaan uit:
  • 3 vetzuurmoleculen (CH2 moleculen eindigend op een carboxylgroep COOH)
  • Verbonden met een glycerolmolecuul (3 C atomen en OH-groepen)

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Fosfolipiden
Bestaan uit:
  • 2 vetzuurmoleculen (CH2 moleculen eindigend op een carboxylgroep COOH)
  • Verbonden met een glycerolmolecuul (3 C atomen en OH-groepen)
  • één Fosfaat groep ( P)

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Fosfolipiden
Spelen een belangrijke rol bij het in stand houden van de cel, zij vormen namelijk  het celmembraan.

Het kopje van een fosfolipide is hydrofiel, het trekt naar water toe.
Het staartje van een fosfolipide is hydrofoob, het draait weg van water.
Dat ziet er ongeveer zo uit. 

Slide 32 - Tekstslide

Het celmembraan bestaat uit twee lagen fosfolipiden. De hydrofiele kopjes draaien náár het water toe (Cytoplasma (binnen) en weefselvloeistof (buiten) ). 
Dit wordt een erg dynamisch proces waarbij die fosfolipiden blijven draaien. 
Hoe warmer het lichaam, hoe sneller ze draaien, hoe kouder hoe langzamer.

Cholesterol een ander vet , speelt een belangrijke rol in het reguleren van de snelheid.

Slide 33 - Tekstslide

Dissimilatie
assimilatie is het bouwen van grotere moleculen en kóst energie.


Dissimilatie is het "verbranden" van grotere moleculen en hier komt energie bij vrij.

Slide 34 - Tekstslide

Chemische energie
Organische stoffen bevatten in de bindingen tussen atomen erg veel chemische energie.

Die energie kan worden vrijgelaten door middel van een vebrandingsproces. Dat vebrandingsproces noemen wij ook dissimilatie.

Slide 35 - Tekstslide

ATP
ATP staat voor Adenosine triphosfaat. (Fosfaat)

Dit is een molecuul waar véél chemische energie in gebonden zit. 
Vooral in de laatste fosfaat binding.

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

ATP
Dit molecuul wordt gebruikt bij het leveren van energie.
Er wordt dan één fosfaatgroep afgebroken waardoor die binding chemische energie loslaat.

Er blijft dan ADP + P over.
Adenosine diphosphaat en één fosfaat groep.

Slide 38 - Tekstslide

Dissimilatie
ATP wordt gemaakt bij dissmilatie
Er bestaan twee soorten:

Aerobe (mét zuurstof) 
en 
Anaerobe (Zonder zuurstof)

Slide 39 - Tekstslide

Dissimilatie
Bij aerobe dissimilatie komt er veel meer ATP vrij dan bij anaerobe dissimilatie.

Slide 40 - Tekstslide

Aerobe dismillatie
Aerobe dissimilatie is een scheikundig proces met ongeveer 3 stappen:
  1. Glycolyse
  2. (Decarboxylisering)
  3. Citroenzuurcyclus 
  4. Oxidatieve fosforlysering

Slide 41 - Tekstslide

Aerobe dismillatie
De citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering vinden plaats ín het mitochondrium. Het organel dat ook bekend staat als de "energie fabriek" van de cel.

Bij aerobe dissimilatie komt er aan het eind van het proces zo'n 30 tot 38 ATP moleculen vrij, afhankelijk van de effectiviteit.

Slide 42 - Tekstslide

Doelen van de stappen:
Aan het eind van het proces wordt er dus ATP gemaakt.
Dit wordt gedaan door ATP-synthethase (ATP-maker).
Daarvoor heeft het H+ ionen nodig, die de goede kant opstromen.
Om die H+ ionen de goede kant op te krijgen hebben we e- (elektronen) nodig.
Om die elektronen op de goede plaats te krijgen hebben we elektronen-dragers nodig (NADH)
Die elektronen dragers worden gemaakt in de Glycolyse en citroenzuurcyclus.

Slide 43 - Tekstslide

Glycolyse
Glycolyse bestaat uit een hoop stappen, die je niet allemaal hoeft te weten.
Wat moet je wél weten? 

Slide 44 - Tekstslide

Glucose is een stabiel molecuul, waardoor het moeilijk is om het te splitsen.
Daarom wordt het éérst geactiveerd met 2 fosfaatgroepen in twee stappen. Dit kost energie , dit kost dus twee ATP moleculen.
Er blijft dan Fructose 1,6-diphosfaat over oftewel pyrodruivenzuur
Dit is een onstabieler molecuul en kan daarom makkelijker afgebroken worden.

Ook worden er twee NADH moleculen gemaakt.

Slide 45 - Tekstslide

De reactie
afbraak Glucose naar pyrodruivenzuur

 C6H12O6                              2 C3H4O3 + 4H+ + 4e- 

er komen dus 4 H+ ionen vrij én 4 elektronen

Slide 46 - Tekstslide

De reactie
Stof NAD+ naar NADH + 2H+
NAD+ accepteert de ionen
2NAD+ + 4h+ + 4e-                            2NADH+ + 2H+

NAD+ heeft dus 4 electronen opgenomen én moet die compenseren met de H+ ionen om op neutraal uit te komen.
Er blijven nu 2H+ ionen over.

Slide 47 - Tekstslide

NADH
NADH is een elektronen drager en heeft tijdens de afbraak van glucose naar pyrodruivenzuur elektronen opgevangen.

Deze geeft hij in de laatste stap weer af om ATP te maken.

Slide 48 - Tekstslide

De reactie
Er zijn ook twee ADP moleculen overgebleven door het activeren van het glucose molecuul. Hier wordt weer ATP van gemaakt door het te koppelen aan de twee overgebleven fosfaatgroepen.

Slide 49 - Tekstslide

Investering

- 2 ATP
- Glucose
Uitkomst

+ 2 ATP
+ NADH (+4e-)
+ 2 pyrodruivenzuur

Slide 50 - Tekstslide

Slide 51 - Video

Slide 52 - Video

Slide 53 - Video

Decarboxylering
De 2e stap heet decarboxylering.

Hier worden van de 2 moleculen pyrodruivenzuur omgezet in het product "Acetyl-CoA". 


Slide 54 - Tekstslide

Decarboxylering
De 2e stap heet decarboxylering.

Hier worden van de 2 moleculen pyrodruivenzuur omgezet in het product "Acetyl-CoA". 


. Aangezien de volgende stap (de citroenzuurcyclus) plaatsvindt in de mitochondriën, moeten de pyrodruivenzuren van het cytosol naar de mitochondriën worden verplaatst. Deze verplaatsing kost 2 ATP moleculen
Bij binnenkomst in de mitochondriën vindt de decarboxylering plaats: er wordt een CO2 groep van beide pyrodruivenzuren afgesplitst. Daarna wordt er aan het eindproduct het co-enzym HS-CoA gekoppeld, 
wat het product acetyl-CoA oplevert. 

Deze reactie levert 1 NADH. Hierna wordt het acetyl-CoA meteen samengevoegd in de beginstap van de citroenzuurcyclus.

Slide 55 - Tekstslide

Citroenzuurcyclus
ookwel de krebscyclus genoemd, begint met het stofje "citroenzuur" (wordt gevormd uit de acetyl-CoA)

De citroenzuurcyclus ziet er heel erg ingewikkeld uit.

Slide 56 - Tekstslide

Wat belangrijk is is te onthouden wát er gevormd wordt door al deze stappen:

- 2 ATP
- 6 NADH
- 2 FADH+ (Elektronendrager)

er komen ook H+ vrij in deze stap.

Slide 57 - Tekstslide

Citroenzuurcyclus
De resultaten van de citroenzuurcyclus zijn belangrijk voor de volgende stap:

Oxidatieve Fosforlysering

Slide 58 - Tekstslide

Oxidatieve Fosforylering
Deze stap wordt ook wel de "Elektronen transport keten" genoemd en je gaat zo zien waarom!

Deze stap speelt zich af in het binnenste membraan van de mitochondriën.

Slide 59 - Tekstslide

Membraan
In dat binnenste membraan zitten een vijftal moleculen:
I
II
III
IV
ATP synthetase (atp-maker)

Slide 60 - Tekstslide

NADH en FADH2
NADH geeft zijn elektronen af aan molecuul I
FADH2 aan molecuul II
Deze elektronen worden rond gepompt naar de verschillende elektronen acceptatoren. 
Door het lading verschil worden er steeds meer H+ binnengelaten in het membraan.

Slide 61 - Tekstslide

Slide 62 - Tekstslide

Waarom zuurstof?
De enige reden dat wij zuurstof nodig hebben is voor deze stap in de oxidatieve fosforylering.
Die H+ willen zich binden aan de E-, maar dat kunnen ze alléén met een O molecuul erbij.
Hierbij wordt water gevormd! (H2O)

Die H+ verplaatsen zich door de ATP synthetase en wekken als het ware energie op die het kan gebruiken om ADP om te zetten in ATP. 

Slide 63 - Tekstslide

Berekening
Voor elke 4 H+ wordt er één molecuul ATP gemaakt. 

De hoeveelheden kan je nakijken door de hoeveelheden Elektronen te berekenen. 

Slide 64 - Tekstslide