4nask2 1.4 ontleedbare stoffen: enkelvoudige ionen

1.3 Het atoommodel
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
nask2Middelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

1.3 Het atoommodel

Slide 1 - Tekstslide

Deze les



  • Uitleg 1.4 
  • Maken  61 en 62
  • Bespreken 61 en 62 
  • Huiswerk: 57, 58, 60, 63-65 (+ sommen van 1.2)

Slide 2 - Tekstslide

Doelen van deze les:
  1. Je weet welke drie deeltjes in een atoom zitten
  2. Je weet hoe een ion wordt gevormd 
  3. Je weet dat positieve en negatieve ionen samen een verbinding vormen
  4. Je kent de namen van veel voorkomende ionen

Slide 3 - Tekstslide

Kern met daaromheen de elektronen
Een atoom:

Slide 4 - Tekstslide

In de kern
Proton            1+ lading
Neutron         0 lading (geen dus)

Kern POSITIEF geladen
Atoom in geheel heeft GEEN lading


Slide 5 - Tekstslide

Kern met daaromheen de elektronen
Proton           1+lading
Neutron        0
Elektron        1- lading

Kern POSITIEF geladen
Elektronen NEGATIEF geladen
Atoom in geheel heeft GEEN lading


Slide 6 - Tekstslide

Atomen hebben soms een elektrische lading

Soms neemt een atoom extra elektronen op of geeft het elektronen weg.

Alleen elektronen, want die zitten aan de buitenkant van een atoom.

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld 1: Na

Natrium heeft 11 elektronen. Natrium kan 1 elektron kwijt.
In de kern van het natriumatoom zitten nog steeds 11 protonen.
11 protonen zijn samen 11+
10 elektronen zijn samen 10-
Samen levert dat een nettolading 1+
We schrijven: 
Na1+ofkorterNa+

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld 2: S
  • Het S-atoom heeft 16 e en 16 p 
  • S kan 2 e erbij krijgen
  • S-atoom dus 16 p (16+) en 18 e (18-)
  • Nettolading 2-
We schrijven 
S2

Slide 9 - Tekstslide

Het chlooratoom heeft 17p en 17e. Het krijgt een 1- lading. Hoeveel e en p heeft het dan?
A
17p, 17e
B
17p, 18e
C
18p, 17e
D
18p, 18e

Slide 10 - Quizvraag

Ionen
Deeltjes met een lading noem je een ion
Een positief ion gaat een binding aan met een negatief ion:
Na+ Cl- Dit noem je een zout en de binding tussen de twee ionen heet een ionbinding

positieve ionen zijn altijd metalen
negatieve ionen zijn altijd niet-metalen 

Slide 11 - Tekstslide

Namen positieve ionen
Gewoon 'ion' erachter: natriumion

Uitzondering: ijzer (Fe) 
kan 2+ en 3+ zijn. 
Dan komt die lading er als Romeins cijfer achter. 

Voorbeeld: ijzer(II)-ion en het ijzer(III)-ion.

Slide 12 - Tekstslide

Namen enkelvoudige negatieve ionen:
Achter de atoomnaam komen de letters -ide.

Let op: 
      is sulfide
      is oxide
O2
S2

Slide 13 - Tekstslide

Een ion is een atoom waarin NIET hetzelfde aantal protonen als elektronen zitten
A
ja
B
nee

Slide 14 - Quizvraag

Een positief ion heeft elektronen erbij gekregen
A
ja
B
nee

Slide 15 - Quizvraag

Het tin(IV)-ion heeft 4 elektronen minder dan het tin-atoom
A
ja
B
nee

Slide 16 - Quizvraag

Deze les



  • Uitleg 1.4 
  • Maken  61 en 62
  • Bespreken 61 en 62 
  • Huiswerk: 57, 58, 60, 63-65 (+ sommen van 1.2)

Slide 17 - Tekstslide