Meervoud TC A2 2.13

Meervoud A2 2.13
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Meervoud A2 2.13

Slide 1 - Tekstslide

Doel
  • Ik herken woorden in het meervoud.
  • Ik kan woorden in het meervoud goed gebruiken.

Slide 2 - Tekstslide

Wat is enkelvoud?
Als het er maar 1 is:
De fiets
Een tafel
Het kind

Slide 3 - Tekstslide

Wat is meervoud?
Als het er 2 of meer zijn.
De fietsen
De tafels
De kinderen

Slide 4 - Tekstslide

Journaal in makkelijke taal
Welke woorden hoor je in meervoud?

Slide 5 - Tekstslide

Wat is een lange klank?
de maan
het been
lopen
maken

Slide 6 - Tekstslide

Wat is een korte klank?
de pan
het bed
pakken
zetten

Slide 7 - Tekstslide

Schrijf een woord in meervoud

Slide 8 - Woordweb

Schrijf het woord in meervoud:
de fles

Slide 9 - Open vraag

Schrijf het woord in meervoud:
de kaas

Slide 10 - Open vraag

Schrijf het woord in meervoud:
het kind

Slide 11 - Open vraag

Schrijf het woord in meervoud:
de kip

Slide 12 - Open vraag

Schrijf het woord in meervoud:
het paard

Slide 13 - Open vraag

Wat is goed?
Het ei - .....
A
het eieren
B
de eieren
C
het eien
D
de eien

Slide 14 - Quizvraag

Wat is goed?
De kippen - ....
A
het kip
B
het kiep
C
de kipp
D
de kip

Slide 15 - Quizvraag

Wat is goed?
De mannen - .....
A
de man
B
de mann
C
de maan
D
het man

Slide 16 - Quizvraag

Wat is goed?
lopen - ik ...
A
lop
B
lopp
C
loop
D
loopp

Slide 17 - Quizvraag

het gesprek - de .....

Slide 18 - Open vraag

het ongeluk - de .....

Slide 19 - Open vraag

de koe - de .....

Slide 20 - Open vraag

het oor - de ....

Slide 21 - Open vraag

de boer - .....

Slide 22 - Open vraag

de kat - de .....

Slide 23 - Open vraag

het sieraad - de ....

Slide 24 - Open vraag

de klok - de ....

Slide 25 - Open vraag

Schrijf over de meivakantie
Schrijf een korte tekst over de vakantie (5-8  zinnen). Gebruik 5 woorden in het meervoud (bijvoorbeeld: dagen, vrienden, steden, foto’s, musea). Woorden over vakantie (zoals: reizen, eten, activiteiten, plaatsen). 
Vragen die je kunnen helpen:
Waar ging je naartoe?
Met wie ging je?
Wat heb je gedaan?
Wat heb je gezien?
B1: gebruik ook woorden in de voltooide tijd (hebben en zijn). 

Slide 26 - Tekstslide

Wordwall

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video


13
14
15
16
17
18
19
20

Slide 29 - Poll