Terugkijken H1 par. 1 t/m 3

Afspraak:

  • Doe je best.

  • Doe vriendelijk tegen en luister naar elkaar.

  • Leer van elkaar.

  • En maak gebruik van elkaar, vraag hulp.

Uitgangssituatie:

Iedereen wil naar de 3e klas en iedereen is bereid hier iets voor te doen

1 / 38
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Afspraak:

  • Doe je best.

  • Doe vriendelijk tegen en luister naar elkaar.

  • Leer van elkaar.

  • En maak gebruik van elkaar, vraag hulp.

Uitgangssituatie:

Iedereen wil naar de 3e klas en iedereen is bereid hier iets voor te doen

Deze slide heeft geen instructies

Mavo 2

Maandag en Dinsdag/Donderdag

Economie

Agenda op tafel.

Boeken en schrift uit de tas en open op tafel.

Rekenmachine en pen..

Leesboek voor het 5e uur? 10 minuten lezen of als je klaar bent met alles.

Je begint altijd in de klas/les met je huiswerk.


Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk is wat je in de klas niet afkrijgt:


12 oktober:

Maken paragraaf 4 opdracht 1 t/m 5


H2C/H2D/H2E 13 oktober:

Maken paragraaf 4 opdracht 6 t/m 13


H2B 15 oktober:

Maken paragraaf 4 opdracht 6 t/m 13




Toets Hoofdstuk 1


Maandag 2 november!!!!!!!

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik op de 3 paragrafen


Deze week huiswerk nakijken, bespreken.

Blz 34 en 36 af:

Huiswerk voor maandag 5 oktober:

H1 paragraaf 3, maken t/m opgave 8


Huiswerk voor dinsdag 6 okt of donderdag 8 oktober:

H1 paragraaf 3 , maken t/m opgave 20

Ik kan uitleggen hoe je met saldo, procenten, behoeften en duurzaamheid economische keuzes begrijpt

Deze slide heeft geen instructies

Geld, keuzes en producten paragraaf 1 t/m 3

Deze les verbindt drie onderdelen uit economie: saldo en procenten, behoeften en zelfvoorziening, en duurzaamheid van producten.

Oud saldo en nieuw saldo

Bij geldzaken kijk je vaak naar twee bedragen:

  • oud saldo = wat je eerst had

  • inkomsten = geld dat erbij komt

  • uitgaven = geld dat eraf gaat

  • nieuw saldo = wat je daarna overhoudt

Leg uit dat saldo het bedrag op je rekening of in kas is. Koppel dit aan herkenbare voorbeelden zoals zakgeld, pinnen en boodschappen.

De formule voor saldo

Gebruik steeds dezelfde regel:


oud saldo + inkomsten - uitgaven = nieuw saldo


Met deze formule kun je controleren of een bedrag klopt.

Benadruk dat inkomsten erbij komen en uitgaven eraf gaan. Veel leerlingen verwisselen het minteken bij uitgaven.

Saldo berekenen

Voorbeeld:

  • oud saldo: € 250,00

  • inkomsten: € 45,00

  • uitgaven: € 80,00


Berekening:

€ 250,00 + € 45,00 - € 80,00 = € 215,00

Sluit aan bij de tabel uit de afbeelding met oud saldo, ontvangsten, uitgaven en nieuw saldo.

Procenten als deel van 100

Een percentage is een deel van 100.


Voorbeeld:

30% van € 50

= 30/100 × 50

= 0,30 × 50

= € 15,--

Noem dat je een percentage eerst als breuk of als decimaal kunt schrijven. Houd de stappen steeds gelijk.

Procenten als deel van 100

Een percentage is een deel van 100.


Voorbeeld:

20% van € 50

= 20/100 × 50

= 0,20 × 50

= € 10,00

Noem dat je een percentage eerst als breuk of als decimaal kunt schrijven. Houd de stappen steeds gelijk.

Nog een procentenvoorbeeld

Voorbeeld:

23% van € 32

= 23/100 × 32

= 0,23 × 32

= € 7,36

Werk rustig voor: percentage omzetten naar decimaal en daarna vermenigvuldigen.

Afronden op € 0,05

Soms rond je een bedrag af op 5 eurocent.


Dan kijk je naar het laatste deel van het bedrag:

  • € 2,12 → € 2,10

  • € 3,13 → € 3,15

  • € 4,97 → € 4,95

Leg uit dat contante bedragen vaak op € 0,05 worden afgerond. Kies eventueel eigen voorbeelden op het bord.

Betaalautomaat en geldautomaat

Er is een belangrijk verschil:

  • betaalautomaat: hiermee betaal je in een winkel

  • geldautomaat: hiermee haal je geld van je rekening

Benadruk dat beide met bankzaken te maken hebben, maar een andere functie hebben.

Welke formule is goed?

A

oud saldo + inkomsten - uitgaven

B

nieuw saldo + uitgaven - inkomsten

C

oud saldo - inkomsten + uitgaven

D

uitgaven + inkomsten - oud saldo

Controleer of leerlingen weten dat inkomsten erbij komen en uitgaven eraf gaan.

Vul de juiste woorden in

Je begint met het oud saldo. Daarna tel je inkomsten erbij op. Uitgaven trek je eraf. Zo bereken je het nieuw saldo. Bij procenten is 23% van €32 gelijk aan € 7,36.

oud saldo
inkomsten
nieuw saldo
€ 7,36
uitgaven
percentage
€ 6,32
geldautomaat

Deze invuloefening koppelt saldo en procenten aan de voorbeelden uit de vorige slides.

Wat doe je met een geldautomaat?

A

geld opnemen

B

prijs afronden

C

in winkel betalen

D

saldo berekenen

Veel leerlingen halen betaalautomaat en geldautomaat door elkaar.

Primaire behoeften

Primaire behoeften zijn dingen die je echt nodig hebt om te leven.


Voorbeelden en zijn dit goederen of diensten?

  • eten en drinken

  • kleding

  • wonen

  • gezondheid en zorg

Koppel dit aan het begrip noodzakelijke behoeften. Houd de voorbeelden concreet en herkenbaar.

Secundaire behoeften

Secundaire behoeften zijn dingen die je leven prettiger maken, maar die niet direct nodig zijn om te overleven.


Voorbeelden en goederen of diensten? Gebruik-/verbruiksgoed?

  • games

  • merkkleding

  • uitgaan

  • extra luxe

Maak duidelijk dat secundair niet betekent onbelangrijk, maar minder noodzakelijk dan primaire behoeften.

Zelfvoorziening

Bij zelfvoorziening maak of verbouw je zelf wat je nodig hebt.


Denk aan:

  • groente uit eigen tuin

  • eieren van eigen kippen

  • zelf iets repareren of maken

Laat zien dat zelfvoorziening betekent dat je minder hoeft te kopen en dus minder afhankelijk bent van winkels.

Mavo 2

Maandag en Dinsdag/Donderdag

Economie

Agenda op tafel.

Boeken en schrift uit de tas en open op tafel.

Rekenmachine en pen..

Leesboek voor het 5e uur? 10 minuten lezen of als je klaar bent met alles.

Je begint altijd in de klas/les met je huiswerk.


Deze slide heeft geen instructies

13 oktober 2026 mavo 2E/2C en 2D

Werk af t/m blz 27...antwoorden staan in som, zelf nakijken.

10 minuten herhalen en procentsom en

Dan starten we met paragraaf 4

Maken 1 t/m 8 blz 31


Zelfvoorziening heeft invloed op keuzes met geld:

  • je koopt minder producten

  • je bespaart soms kosten

  • je gebruikt eigen tijd en spullen

  • je bent minder afhankelijk van anderen

10

minute

00

second

Benadruk de afweging: minder uitgaven, maar vaak wel meer tijd en inspanning.

Procenten in drie stappen

Zo reken je een percentage van een bedrag uit:

  1. schrijf het percentage als decimaal

  2. vermenigvuldig met het bedrag

  3. zet de uitkomst in euro's


Voorbeeld: 15% = 0,15

Sluit aan bij de opgaven over procenten berekenen en het omzetten van percentages naar decimalen.

Percentages omzetten

Voorbeelden van omzetten:

  • 15% = 0,15

  • 12,5% = 0,125

    • 9% = 0,09 9% van 120,- = 0,09 x 120 = € 10,80

  • 6,3% = 0,063 6,3% van 7,- = 0.063 x 7 = € 0,44

Noem dat delen door 100 helpt bij het omzetten van procent naar decimaal.

Ik kan een prijsstijging en korting berekenen

Met procenten bereken je vaak:

  • loonsverhoging

  • korting op een prijs

  • prijsstijging

  • deel van een totaalbedrag


Daarom zijn procenten belangrijk bij geldzaken.

Verbind dit met de voorbeelden uit opgaven 17 t/m 20: schoolgeld, loon, uitverkoop en sportschool.

Ik kan een prijsstijging en korting berekenen

Met procenten bereken je vaak:

  • loonsverhoging

  • korting op een prijs

  • prijsstijging

  • deel van een totaalbedrag


Daarom zijn procenten belangrijk bij geldzaken.

Je hebt een gave trui gezien voor € 119,--. Je vindt hem te duur, maar er komt uitverkoop en alles gaat weg vóór 40%.

Verbind dit met de voorbeelden uit opgaven 17 t/m 20: schoolgeld, loon, uitverkoop en sportschool.

Wat te doen in de les staat hieronder:


13 oktober: C/D/E (16 oktober: B)

Aan de slag met paragraaf 4 opdracht 1 t/m 8 ( blz.28 t/m 31)


H2C/H2D/H2E op 26 oktober:

Bespreken paragraaf 4 opdracht 9 t/m 13 blz 32 t/m 33


H2B 29 oktober:

Maken paragraaf 4 opdracht 9 t/m 13




Toets Hoofdstuk 1


Maandag 2 november!!!!!!!

Deze slide heeft geen instructies

Wat moet je leren voor de toets?


  • Paragraaf 1 t/m 4 sowieso.

  • De begrippen moet je kunnen toepassen.

  • Rekenopgave moet je kunnen maken.

  • Bijvoorbeeld %, gemiddelden, Saldo nieuw en oud.

  • Je oefent zelf met de extra opgaven thuis, blz 38 t/m 41

  • Antwoorden zet ik voor deze keer ook in SOM




Toets Hoofdstuk 1


Maandag 2 november!!!!!!!

Deze slide heeft geen instructies

Duurzaamheid van een product

In een review betekent duurzaamheid:

  • hoe lang een product meegaat

  • hoe stevig de kwaliteit is

  • of het tegen slijtage kan

  • of het na langere tijd nog goed werkt


Starten met paragraaf 4, maken t/m 8 in de klas. rest voor dinsdag na de vakantie


Gebruik hier bewust de betekenis uit de methode/gebruikersinput: duurzaamheid in reviews gaat om levensduur en stevigheid van het product.

Vul de juiste woorden in

Bij zelfvoorziening maak of verbouw je zelf wat je nodig hebt. Daardoor koop je soms minder producten. Een primaire behoefte is bijvoorbeeld wonen. En 15% schrijf je als 0,15.

zelfvoorziening
minder
wonen
0,15
secundaire behoeften
meer
0,50
games
groen

Laat leerlingen de kernbegrippen uit paragraaf 3 en het omzetten van procenten koppelen.

Wat is volgens jou een voorbeeld van zelfvoorziening?

1

groente verbouwen

2

game kopen

3

uit eten gaan

4

pinnen bij winkel

Deze slide heeft geen instructies

Duurzaamheid in een review

Een review kijkt niet alleen naar prijs.


Ook belangrijk is:

  • blijft het product heel?

  • voelt het stevig aan?

  • slijt het snel of juist niet?

Leg uit dat een goedkoop product soms duurder uitpakt als het snel kapotgaat.

Duurzaamheid en economische keuze

Bij kopen maak je een afweging:

  • een lagere prijs nu

  • of een product dat langer meegaat


Een duurzaam product kan eerst duurder zijn, maar later geld besparen.

Verbind duurzaamheid aan economische afwegingen: prijs, kwaliteit en gebruiksduur.

Waar let je op bij vergelijken?

Let bij producten op:

  • prijs

  • kwaliteit

  • levensduur

  • kans op slijtage


Zo kun je producten eerlijker met elkaar vergelijken.

Dit bereidt leerlingen voor op het lezen of bespreken van reviews zonder er een activiteit van te maken.

Wat betekent duurzaamheid in een review?

A

lage prijs

B

snelle levering

C

lange levensduur

D

mooie reclame

Duurzaamheid gaat hier om meegaan, stevigheid en slijtage, niet om prijs of reclame.

Vul de juiste woorden in

Bij een review let je niet alleen op de prijs. Je kijkt ook naar de kwaliteit en naar de levensduur. Een product dat lang meegaat, is vaak meer duurzaam.

prijs
kwaliteit
levensduur
duurzaam
korting
kleur
betaalautomaat
secundair

De woorden komen direct uit de laatste slides over reviews en vergelijken.

Begrippenlijst

saldo - het bedrag dat je op een bepaald moment hebt

oud saldo - het bedrag dat je eerst had

nieuw saldo - het bedrag dat overblijft na inkomsten en uitgaven

inkomsten - geld dat je ontvangt

uitgaven - geld dat je betaalt

percentage - een deel van 100

decimaal getal - een getal met een komma, zoals 0,15

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

afronden op € 0,05 - een bedrag aanpassen naar 5 eurocent

betaalautomaat - apparaat waarmee je betaalt in een winkel

geldautomaat - automaat waar je geld opneemt

primaire behoeften - behoeften die noodzakelijk zijn om te leven

secundaire behoeften - behoeften die niet direct noodzakelijk zijn

zelfvoorziening - zelf maken of verbouwen wat je nodig hebt

duurzaamheid - hoe lang een product meegaat en tegen slijtage kan

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 4 en herhaling in laatste week voor en de eerste na de vakantie..

Deze slide heeft geen instructies