Afspraak:
Doe je best.
Doe vriendelijk tegen en luister naar elkaar.
Leer van elkaar.
En maak gebruik van elkaar, vraag hulp.
Uitgangssituatie:
Iedereen wil naar de 3e klas en iedereen is bereid hier iets voor te doen
Afspraak:
Doe je best.
Doe vriendelijk tegen en luister naar elkaar.
Leer van elkaar.
En maak gebruik van elkaar, vraag hulp.
Uitgangssituatie:
Iedereen wil naar de 3e klas en iedereen is bereid hier iets voor te doen
Deze slide heeft geen instructies
Mavo 2
Maandag en Dinsdag/Donderdag
Economie
Agenda op tafel.
Boeken en schrift uit de tas en open op tafel.
Rekenmachine en pen..
Leesboek voor het 5e uur? 10 minuten lezen of als je klaar bent met alles.
Je begint altijd in de klas/les met je huiswerk.
Deze slide heeft geen instructies
Huiswerk is wat je in de klas niet afkrijgt:
12 oktober:
Maken paragraaf 4 opdracht 1 t/m 5
H2C/H2D/H2E 13 oktober:
Maken paragraaf 4 opdracht 6 t/m 13
H2B 15 oktober:
Maken paragraaf 4 opdracht 6 t/m 13
Toets Hoofdstuk 1
Maandag 2 november!!!!!!!
Deze slide heeft geen instructies
Terugblik op de 3 paragrafen
Deze week huiswerk nakijken, bespreken.
Blz 34 en 36 af:
Huiswerk voor maandag 5 oktober:
H1 paragraaf 3, maken t/m opgave 8
Huiswerk voor dinsdag 6 okt of donderdag 8 oktober:
H1 paragraaf 3 , maken t/m opgave 20
Ik kan uitleggen hoe je met saldo, procenten, behoeften en duurzaamheid economische keuzes begrijpt
Deze slide heeft geen instructies
Geld, keuzes en producten paragraaf 1 t/m 3
Deze les verbindt drie onderdelen uit economie: saldo en procenten, behoeften en zelfvoorziening, en duurzaamheid van producten.
Oud saldo en nieuw saldo
Bij geldzaken kijk je vaak naar twee bedragen:
oud saldo = wat je eerst had
inkomsten = geld dat erbij komt
uitgaven = geld dat eraf gaat
nieuw saldo = wat je daarna overhoudt
Leg uit dat saldo het bedrag op je rekening of in kas is. Koppel dit aan herkenbare voorbeelden zoals zakgeld, pinnen en boodschappen.
De formule voor saldo
Gebruik steeds dezelfde regel:
oud saldo + inkomsten - uitgaven = nieuw saldo
Met deze formule kun je controleren of een bedrag klopt.
Benadruk dat inkomsten erbij komen en uitgaven eraf gaan. Veel leerlingen verwisselen het minteken bij uitgaven.
Saldo berekenen
Voorbeeld:
oud saldo: € 250,00
inkomsten: € 45,00
uitgaven: € 80,00
Berekening:
€ 250,00 + € 45,00 - € 80,00 = € 215,00
Sluit aan bij de tabel uit de afbeelding met oud saldo, ontvangsten, uitgaven en nieuw saldo.
Procenten als deel van 100
Een percentage is een deel van 100.
Voorbeeld:
30% van € 50
= 30/100 × 50
= 0,30 × 50
= € 15,--
Noem dat je een percentage eerst als breuk of als decimaal kunt schrijven. Houd de stappen steeds gelijk.
Procenten als deel van 100
Een percentage is een deel van 100.
Voorbeeld:
20% van € 50
= 20/100 × 50
= 0,20 × 50
= € 10,00
Noem dat je een percentage eerst als breuk of als decimaal kunt schrijven. Houd de stappen steeds gelijk.
Nog een procentenvoorbeeld
Voorbeeld:
23% van € 32
= 23/100 × 32
= 0,23 × 32
= € 7,36
Werk rustig voor: percentage omzetten naar decimaal en daarna vermenigvuldigen.
Afronden op € 0,05
Soms rond je een bedrag af op 5 eurocent.
Dan kijk je naar het laatste deel van het bedrag:
€ 2,12 → € 2,10
€ 3,13 → € 3,15
€ 4,97 → € 4,95
Leg uit dat contante bedragen vaak op € 0,05 worden afgerond. Kies eventueel eigen voorbeelden op het bord.
Betaalautomaat en geldautomaat
Er is een belangrijk verschil:
betaalautomaat: hiermee betaal je in een winkel
geldautomaat: hiermee haal je geld van je rekening
Benadruk dat beide met bankzaken te maken hebben, maar een andere functie hebben.
Welke formule is goed?
oud saldo + inkomsten - uitgaven
nieuw saldo + uitgaven - inkomsten
oud saldo - inkomsten + uitgaven
uitgaven + inkomsten - oud saldo
Controleer of leerlingen weten dat inkomsten erbij komen en uitgaven eraf gaan.
Vul de juiste woorden in
Je begint met het oud saldo. Daarna tel je inkomsten erbij op. Uitgaven trek je eraf. Zo bereken je het nieuw saldo. Bij procenten is 23% van €32 gelijk aan € 7,36.
Deze invuloefening koppelt saldo en procenten aan de voorbeelden uit de vorige slides.
Wat doe je met een geldautomaat?
geld opnemen
prijs afronden
in winkel betalen
saldo berekenen
Veel leerlingen halen betaalautomaat en geldautomaat door elkaar.
Primaire behoeften
Primaire behoeften zijn dingen die je echt nodig hebt om te leven.
Voorbeelden en zijn dit goederen of diensten?
eten en drinken
kleding
wonen
gezondheid en zorg
Koppel dit aan het begrip noodzakelijke behoeften. Houd de voorbeelden concreet en herkenbaar.
Secundaire behoeften
Secundaire behoeften zijn dingen die je leven prettiger maken, maar die niet direct nodig zijn om te overleven.
Voorbeelden en goederen of diensten? Gebruik-/verbruiksgoed?
games
merkkleding
uitgaan
extra luxe
Maak duidelijk dat secundair niet betekent onbelangrijk, maar minder noodzakelijk dan primaire behoeften.
Zelfvoorziening
Bij zelfvoorziening maak of verbouw je zelf wat je nodig hebt.
Denk aan:
groente uit eigen tuin
eieren van eigen kippen
zelf iets repareren of maken
Laat zien dat zelfvoorziening betekent dat je minder hoeft te kopen en dus minder afhankelijk bent van winkels.
Mavo 2
Maandag en Dinsdag/Donderdag
Economie
Agenda op tafel.
Boeken en schrift uit de tas en open op tafel.
Rekenmachine en pen..
Leesboek voor het 5e uur? 10 minuten lezen of als je klaar bent met alles.
Je begint altijd in de klas/les met je huiswerk.
Deze slide heeft geen instructies
13 oktober 2026 mavo 2E/2C en 2D
Werk af t/m blz 27...antwoorden staan in som, zelf nakijken.
10 minuten herhalen en procentsom en
Dan starten we met paragraaf 4
Maken 1 t/m 8 blz 31
Zelfvoorziening heeft invloed op keuzes met geld:
je koopt minder producten
je bespaart soms kosten
je gebruikt eigen tijd en spullen
je bent minder afhankelijk van anderen
minute
second
Benadruk de afweging: minder uitgaven, maar vaak wel meer tijd en inspanning.
Procenten in drie stappen
Zo reken je een percentage van een bedrag uit:
schrijf het percentage als decimaal
vermenigvuldig met het bedrag
zet de uitkomst in euro's
Voorbeeld: 15% = 0,15
Sluit aan bij de opgaven over procenten berekenen en het omzetten van percentages naar decimalen.
Percentages omzetten
Voorbeelden van omzetten:
15% = 0,15
12,5% = 0,125
9% = 0,09 9% van 120,- = 0,09 x 120 = € 10,80
6,3% = 0,063 6,3% van 7,- = 0.063 x 7 = € 0,44
Noem dat delen door 100 helpt bij het omzetten van procent naar decimaal.
Ik kan een prijsstijging en korting berekenen
Met procenten bereken je vaak:
loonsverhoging
korting op een prijs
prijsstijging
deel van een totaalbedrag
Daarom zijn procenten belangrijk bij geldzaken.
Verbind dit met de voorbeelden uit opgaven 17 t/m 20: schoolgeld, loon, uitverkoop en sportschool.
Ik kan een prijsstijging en korting berekenen
Met procenten bereken je vaak:
loonsverhoging
korting op een prijs
prijsstijging
deel van een totaalbedrag
Daarom zijn procenten belangrijk bij geldzaken.
Je hebt een gave trui gezien voor € 119,--. Je vindt hem te duur, maar er komt uitverkoop en alles gaat weg vóór 40%.
Verbind dit met de voorbeelden uit opgaven 17 t/m 20: schoolgeld, loon, uitverkoop en sportschool.
Wat te doen in de les staat hieronder:
13 oktober: C/D/E (16 oktober: B)
Aan de slag met paragraaf 4 opdracht 1 t/m 8 ( blz.28 t/m 31)
H2C/H2D/H2E op 26 oktober:
Bespreken paragraaf 4 opdracht 9 t/m 13 blz 32 t/m 33
H2B 29 oktober:
Maken paragraaf 4 opdracht 9 t/m 13
Toets Hoofdstuk 1
Maandag 2 november!!!!!!!
Deze slide heeft geen instructies
Wat moet je leren voor de toets?
Paragraaf 1 t/m 4 sowieso.
De begrippen moet je kunnen toepassen.
Rekenopgave moet je kunnen maken.
Bijvoorbeeld %, gemiddelden, Saldo nieuw en oud.
Je oefent zelf met de extra opgaven thuis, blz 38 t/m 41
Antwoorden zet ik voor deze keer ook in SOM
Toets Hoofdstuk 1
Maandag 2 november!!!!!!!
Deze slide heeft geen instructies
Duurzaamheid van een product
In een review betekent duurzaamheid:
hoe lang een product meegaat
hoe stevig de kwaliteit is
of het tegen slijtage kan
of het na langere tijd nog goed werkt
Starten met paragraaf 4, maken t/m 8 in de klas. rest voor dinsdag na de vakantie
Gebruik hier bewust de betekenis uit de methode/gebruikersinput: duurzaamheid in reviews gaat om levensduur en stevigheid van het product.
Vul de juiste woorden in
Bij zelfvoorziening maak of verbouw je zelf wat je nodig hebt. Daardoor koop je soms minder producten. Een primaire behoefte is bijvoorbeeld wonen. En 15% schrijf je als 0,15.
Laat leerlingen de kernbegrippen uit paragraaf 3 en het omzetten van procenten koppelen.
Wat is volgens jou een voorbeeld van zelfvoorziening?
groente verbouwen
game kopen
uit eten gaan
pinnen bij winkel
Deze slide heeft geen instructies
Duurzaamheid in een review
Een review kijkt niet alleen naar prijs.
Ook belangrijk is:
blijft het product heel?
voelt het stevig aan?
slijt het snel of juist niet?
Leg uit dat een goedkoop product soms duurder uitpakt als het snel kapotgaat.
Duurzaamheid en economische keuze
Bij kopen maak je een afweging:
een lagere prijs nu
of een product dat langer meegaat
Een duurzaam product kan eerst duurder zijn, maar later geld besparen.
Verbind duurzaamheid aan economische afwegingen: prijs, kwaliteit en gebruiksduur.
Waar let je op bij vergelijken?
Let bij producten op:
prijs
kwaliteit
levensduur
kans op slijtage
Zo kun je producten eerlijker met elkaar vergelijken.
Dit bereidt leerlingen voor op het lezen of bespreken van reviews zonder er een activiteit van te maken.
Wat betekent duurzaamheid in een review?
lage prijs
snelle levering
lange levensduur
mooie reclame
Duurzaamheid gaat hier om meegaan, stevigheid en slijtage, niet om prijs of reclame.
Vul de juiste woorden in
Bij een review let je niet alleen op de prijs. Je kijkt ook naar de kwaliteit en naar de levensduur. Een product dat lang meegaat, is vaak meer duurzaam.
De woorden komen direct uit de laatste slides over reviews en vergelijken.
Begrippenlijst
saldo - het bedrag dat je op een bepaald moment hebt
oud saldo - het bedrag dat je eerst had
nieuw saldo - het bedrag dat overblijft na inkomsten en uitgaven
inkomsten - geld dat je ontvangt
uitgaven - geld dat je betaalt
percentage - een deel van 100
decimaal getal - een getal met een komma, zoals 0,15
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
afronden op € 0,05 - een bedrag aanpassen naar 5 eurocent
betaalautomaat - apparaat waarmee je betaalt in een winkel
geldautomaat - automaat waar je geld opneemt
primaire behoeften - behoeften die noodzakelijk zijn om te leven
secundaire behoeften - behoeften die niet direct noodzakelijk zijn
zelfvoorziening - zelf maken of verbouwen wat je nodig hebt
duurzaamheid - hoe lang een product meegaat en tegen slijtage kan
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 4 en herhaling in laatste week voor en de eerste na de vakantie..
Deze slide heeft geen instructies