De Nederlandse taal - deel 2

De Nederlandse taal - deel 2

In deel 1 hebben we kennis gemaakt met de hoofdletters, meervouden en woorden die een letter s ertussen hebben. We gaan het pad van de spellingregels verder vervolgen.

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTaalSpeciaal OnderwijsLeerroute 5

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

De Nederlandse taal - deel 2

In deel 1 hebben we kennis gemaakt met de hoofdletters, meervouden en woorden die een letter s ertussen hebben. We gaan het pad van de spellingregels verder vervolgen.

Wanneer begint een woord niet met een hoofdletter?

A

Als het begint met een nieuwe zin

B

De naam van de maand

C

De naam van een planeet

D

Je voornaam

Sleep de zinnen naar de juiste woorden

De

Het

... kamer is leeg.

... huis staat op een berg.

... is een aantal.

... plant bloeit mooi.

Waar is ... eten?

Welk woord heeft niets te maken met 'opnemen'?

A

Bewaren

B

Opslaan

C

Onthouden

D

Uitlezen

Sommige letters liggen verkeerd. Wat denk je wat hieronder staat?


vreseiren

Hoeveel lettergrepen heeft onderstaand woord?


aardbeienyoghurt

A

5

B

3

C

4

D

6

Welke van de onderstaande woorden is geen voorzetsel?

A

Naar

B

Onder

C

Fietsen

D

Zonder

Wat wordt er bedoeld met 'uitzonderlijk'?



A

Wat niet mag

B

Wat gewoon is

C

Vaker voorkomt

D

Haast niet voorkomt

Wat wordt er bedoeld met 'bijzonder'?



A

Heel goed

B

Uniek

C

Ergens geweest

D

Slim

Probeer de juiste uitspraken te vinden.

staan/staat

liggen/ligt

De borden ... op tafel.

Het bestek ... op tafel.

De servetten ... op tafel.

De tafel ... op de grond.

Welke zinnen zijn tegenwoordige tijd en welke zijn verleden tijd?

Tegenwoordige tijd

Verleden tijd

Ik heb gegeten.

Ik ga de deur uit.

De wasmand was vol.

Er is niks gebeurd.

Er was niks aan de hand.