H3 onderzoek les 1 (paragraaf 1 en 2)

H3 onderzoek les 1
 (paragraaf 1 en 2)
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

H3 onderzoek les 1
 (paragraaf 1 en 2)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen 3.1
  • Wat houdt voedselbederf in?
  • Wat is het verschil tussen voedselvergiftiging en voedselinfectie?
  • Wat zijn de 4 rijken waarin organismen worden ingedeeld?
  • Hoe plant een bacterie zich voort?
  • Wat is een kloon?
  • Wat is een virus en hoe plant deze zicht voort?

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Infectie=micro-organismen dringen je lichaam binnen
Vergiftiging=gifstoffen komen in je bloed (vaak een combinatie)

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De generatietijd is de tijd die het durt voor er een nieuwe generatie ontstaat, dit is 20 minuten bij deze bacterie.

20 min
20 min

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stel, je hebt één bacterie in je mond na het tandenpoetsen. Je gaat om 22:00 naar bed. Hoeveel zijn er dan om 7:00 in je mond?

Slide 5 - Open vraag

22:00 tot 7:00, dat is 9 uren. In 9 uur passen 27 delingen (elke 20 minuten). Dus dat is 1 x 2 tot de 27e = 134.217.728 bacteriën
Is botulisme (een ziekte veroorzaakt door botuline gif afkomstig van een bacterie die dit in je darmkanaal produceert) een voedselinfectie of een voedselvergiftiging? Of allebei? Of geen van beide?
A
Een voedselinfectie
B
Een voedselvergiftiging
C
Allebei
D
Geen van beide

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schimmels en bacteriën doen meestal aan ongeslachtelijke voortplanting. Bij Schimmels worden hiervoor sporen gevormd. Wat is ongeslachtelijke voortplanting?
A
Voortplanting door seks
B
Voortplanting zonder seks
C
Voortplanting zonder geslachtscellen
D
Voortplanting met geslachtscellen

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van geslachtelijke voortplanting (met geslachtscellen dus) krijg je nakomelingen met meer variatie. Wanneer is dat handig?
A
Als de omstandigheden voor overleven erg gunstig zijn
B
Als de omstandigheden voor overleven minder gunstig zijn

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Geslachtelijke voortplanting
  • Variatie in nakomelingen (voordelig als omgevingsfactoren niet constant zijn)
  • Geslachtelijke voortplanting kost tijd, zoeken van een partner, speciale geslachtscellen maken.  
Ongeslachtelijke voortplanting 
  • levert snel veel nakomelingen op
  • Alle nakomelingen zijn identiek (een kloon), probleem bij verandering van omgeving

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even checken:
een virus is...
A
een soort bacterie
B
een pakketje DNA of RNA met een eiwitmantel
C
geen organisme
D
een kloon

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Het coronavirus heeft een membraan dat lijkt op ons celmembraan. Wat gebeurt er dus met een membraan als je er zeep bij doet?
A
De zeepdeeltjes gaan aan de membraaneiwitten hechten
B
De zeepdeeltjes gaan tussen de fosfolipiden zitten
C
De zeepdeeltjes gaan om het membraan heen zitten

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen 3.2
  • Wat is de werking van de verschillende conserveringsmethoden?
  • Wat zijn de stappen in het natuurwetenschappelijk onderzoek? Wat houden die stappen in?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Lees p. 83 (helemaal) en 84 (alleen 1e kolom). Noteer hier de manieren van voedsel conservering die je niet meteen bekend voor komen.

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een hypothese?
A
De onderzoeksvraag
B
Een mogelijk antwoord op de onderzoeksvraag
C
Het resultaat van een onderzoek
D
Het werkplan van een onderzoek

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inhoud verslag
Inleiding - aanleiding van je onderzoek, onderzoeksvraag en hypothese
Materiaal en methode - lijstje plus werkplan
Resultaten - tabel en grafiek, met tekst! zowel uitleg als onderschrift
Conclusie en discussie - zie verdere dia's

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een onderzoeksvraag is: 'Wat is de invloed van koken op de werking van het enzym amylase?'
Wat is in het onderzoek dat je moet doen om dit te bepalen de onafhankelijke variabele?
A
Temperatuur
B
Amylase
C
De werking
D
Zetmeel

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is hier de onafhankelijk variabele?
A
De groepen
B
Jongens
C
Aantal kinderen met een eenwieler
D
Meisjes

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zet je op de horizontale as van een grafiek?
A
Wat je hebt gemeten
B
De afhankelijke variabele
C
De titel van de grafiek
D
De onafhankelijke variabele

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Conclusie en discussie
  • Conclusie: antwoord op de onderzoeksvraag. Benoem daarbij de resultaten die hiertoe geleid hebben. Geef aan of hypothese juist was of niet
  • Discussie: verklaar je resultaten, en vergelijk je resultaten met de literatuur. Gingen er delen van de proef niet goed? Beschrijf deze. Zijn de resultaten betrouwbaar? Zijn ze valide? Geef ideeën voor vervolgonderzoek.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Validiteit en betrouwbaarheid
  • Valide: heb je onderzocht wat je wilde onderzoeken? Was de gebruikte methode correct?
  • Betrouwbaar: als je het onderzoek met een willekeurige groep herhaalt, krijg je dan dezelfde uitkomsten? 


--> Waarborgen kwaliteit van je onderzoek!

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe krijg je een valide onderzoek?
1: Het belangrijkste is dat je methode en resultaten een antwoord kunnen geven op je onderzoeksvraag
2: neem 1 variabele om te onderzoeken
3: maak waar mogelijk gebruik van een blanco/controlegroep
(dat is een groep waar dezelfde metingen aan worden gedaan, alleen krijgt deze groep geen 'behandeling')

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stel ik wil weten wat de groeisnelheid is van baby's in Nederland. Ik ga 1 dag naar het consultatiebureau en meet alle baby's. Is dit onderzoek valide? En is dit betrouwbaar?
A
Niet valide en niet betrouwbaar
B
Wel valide maar niet betrouwbaar
C
Niet valide maar wel betrouwbaar
D
Wel valide en wel betrouwbaar

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Stel ik wil weten hoeveel een gemiddelde pinda weegt. Ik weeg 5 pinda's en neem het gemiddelde.
A
Niet valide en niet betrouwbaar
B
Wel valide maar niet betrouwbaar
C
Niet valide maar wel betrouwbaar
D
Wel valide en wel betrouwbaar

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Stel ik wil weten of paracetamol echt werkt. Ik geef 200 mensen met hoofdpijn 500 mg paracetamol en 200 mensen een placebo. Daarna moeten ze aangeven hoeveel de hoofdpijn minder is geworden.
Waarom gaf ik één groep een placebo?
A
omdat er anders geen resultaten zijn om conclusies te trekken
B
omdat ik dan de resultaten kan vergelijken om te zien of het werkt
C
omdat mensen anders misschien denken dat het werkt, en daardoor minder hoofdpijn hebben
D
die placebo is niet nodig in dit experiment, dit is een strikvraag

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat kan je allemaal in de 'discussie' schrijven?

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Next...
Maak nu de oefentoets even (10 min) 
Het gaat over deze lessonup
Je moet minstens 80% goed hebben! 

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies