6
Motivatie & werkhouding
Wat doe je met een leerling die gewoon niet wil?
6
Motivatie & werkhouding
Wat doe je met een leerling die gewoon niet wil?
Soms lijkt een leerling
niet gemotiveerd en doet
hij of zij niets. Toch is onwil lang niet altijd de echte oorzaak van dat gedrag.
In dit hoofdstuk ontdek je welke vier oorzaken achter lage motivatie kunnen schuilgaan en leer je hoe je daar als docent effectief op inspeelt.
Ik spreek de leerling direct aan voor de klas
Ik ga naast de leerling staan en stel een vraag
Ik wacht even en hoop dat het vanzelf gaat
Ik weet eerlijk gezegd niet altijd wat ik moet doen
Ik doe iets anders, namelijk . . .
Hoe reageer jij nu als een leerling niets doet?
Dit is precies waarom dit hoofdstuk er is. Er bestaat namelijk geen magische zin.
Maar er zijn wel technieken die werken als je weet welke oorzaak erachter zit.
Verveling
De opdracht is te makkelijk of voelt zinloos.
Signaal: leerling is snel klaar, maakt kattenkwaad, trekt aandacht van anderen.
oorzaken van lage motivatie
2
Onduidelijkheid
Een leerling weet niet wat er van hem verwacht wordt of snapt de opdracht niet.
Signaal: leerling start niet, kijkt rond, vraagt niets.
1
Faalangst
Een leerling is bang om het fout te doen of voor schaamte.
Signaal: leerling schrijft niets op, zegt 'weet ik niet', vermijdt contact.
Externe oorzaak
Een leerling heeft problemen thuis, slaap-tekort of een conflict.
Signaal: leerling is er fysiek maar niet mentaal. Ogen leeg. Geen reactie.
3
4
4
Motivatie is geen eigenschap van een leerling. Het is een toestand. En toestanden hebben oorzaken.
Sleep het gedrag naar de meest waarschijnlijke oorzaak.
Koppel het gedrag aan de oorzaak
Onduidelijkheid
Verveling
Faalangst
Externe oorzaak
Leerling zegt: 'Waarom moeten we dit doen?'
Leerling schrijft niets op en kijkt naar anderen
Leerling maakt kattenkwaad zodra hij klaar is
Leerling zit met hoofd op tafel, reageert nergens op
Verveling
Geef een verdiepende of uitdagendere vervolgvraag.
Laat de leerling een klasgenoot helpen of uitleggen.
Vraag: 'Wat zou jij anders doen bij deze opdracht?'
Interventies per oorzaak
2
Onduidelijkheid
Vraag terwijl je naast de leerling staat: 'Waar zou je beginnen als je het wél wist?'
Wijs op één concrete eerste stap in de opdracht.
Vertel de opdracht mondeling in simpelere taal.
1
Faalangst
Verlaag de drempel: 'Schrijf op wat je denkt. Het hoeft nog niet goed te zijn.'
Geef aanwijzingen in stapjes.
Vermijd vergelijken met anderen.
Externe oorzaak
Geen grote interventie in de klas.
Geef ruimte zonder te pushen. Laat de leerling een simpele taak doen.
Noteer het en bespreek het na de les of met de mentor.
3
4
Jouw leerling - jouw aanpak
Denk aan een leerling in jouw klas die regelmatig niet werkt of gemotiveerd lijkt. Schrijf op:
Naam
Of omschrijving
Signaal
Wat zie of hoor je precies?
Vermoedelijke oorzaak
Onduidelijkheid / Verveling / Faalangst / Extern
Interventie
Wat ga jij de volgende les concreet proberen?
Wat zeg je?
Schrijf de zin op die je gebruikt.
Scenario: 'Dit heeft toch geen zin'
Situatie: Leerling Devin gooit zijn pen op tafel en zegt hardop: 'Dit heeft toch geen zin, ik doe dit niet.'
Je negeert het en gaat verder met de rest van de klas.
Je zegt: 'Je doet het gewoon, want anders krijg je een onvoldoende.'
Je gaat naar Devin toe en zegt zacht: 'Ik zie dat je ergens mee zit. Wat is er aan de hand?'
Je stuurt Devin naar de gang.
Waarom antwoord . . .
C de-escaleert zonder de klas te verstoren. Je erkent het gedrag zonder het goed te keuren. De vraag 'Wat is er aan de hand?' opent een gesprek in plaats van een conflict. A laat het gedrag toe. B en D escaleren.
C
Wat je niet doet
Motiveren met straffen
'Als je dit niet maakt, mag je niet mee naar de excursie.' Werkt kortdurend. Schept wrok. Los van de opdracht.
Sussen met makkelijkere opdracht
'Doe jij maar de eerste drie vragen, de rest hoeft niet.' Signaal aan leerling: als ik weiger, krijg ik minder werk. Dat gedrag beloon je.
Vergelijken met anderen
'Kijk hoe goed Nadia werkt. Waarom doe jij dat niet?' Beschaamt de leerling publiekelijk. Creëert weerstand, geen motivatie.
Mijn aanpak voor volgende week.
Schrijf op:
De leerling waarbij ik dit ga toepassen: ...
De oorzaak die ik vermoed: ...
Mijn eerste stap: ...
De zin die ik gebruik: ...