(1K woensdag 1G maandag) Tabellen lezen en invullen

1 / 41
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenISK

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Deze slide heeft geen instructies



Niet door les heen praten

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen vandaag?

  1. Huiswerk

  2. Leren over tabellen

  3. Kraak de code met een tabel

  4. Blooket maken met Excel

  5. Afsluiten 


Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk voor de afgelopen week:

Groep 1:

Werkboek 1F tot en met opdracht 14

Groep 2:

Math4all

Tabellen tot en met opgave 6






Deze slide heeft geen instructies

Groep 2

Stepan, Diana, Khaled, Izzeldeen, Isla, Aron, Loujain


=> Math4all


=> Wiskunde HV => havo a

=> scrol naar beneden tot je ziet:



=> kies voor 1.1 Tabellen


Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen vandaag?

  1. Toets bekijken

  2. Reflectie op de toets

  3. Leren over tabellen

  4. Afsluiten 


Deze slide heeft geen instructies

Tabellen lezen en invullen

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan gegevens uit tabellen correct interpreteren en gebruiken om vergelijkende constructies en richtingswoorden toe te passen, en daarna zelf een tabel volgens een vast format correct invullen.

Deze slide heeft geen instructies

Wat vertelt een tabel?

Een tabel ordent gegevens overzichtelijk.


Je leest steeds goed:

  • wat er gemeten wordt

  • wanneer of op welk moment

  • welke aantallen of waarden erbij horen

Benadruk dat leerlingen eerst de kopjes en rijen lezen voordat ze cijfers vergelijken. Dat voorkomt dat zij waarden uit de verkeerde kolom nemen.

Tabel: rij, kolom en vakje

  • Een rij loopt van links naar rechts met een rijnummer

  • Een kolom loopt van boven naar beneden met een kolom kop

  • Een vakje of cel ligt op het snijpunt van een rij en een kolom

  • Met rij en kolom kun je precies één plek aanwijzen

Benadruk dat plaatsbepaling nauwkeurig is: je noemt niet alleen wat je ziet, maar ook waar het staat.

Nauwkeurig aflezen

Bij tabellen is precies lezen belangrijk.


Let op:

  • vergelijk alleen gegevens uit dezelfde soort kolom of rij

  • lees het juiste tijdstip of de juiste datum af

  • neem aantallen en waarden exact over

  • controleer of je geen vakje overslaat

Noem veelvoorkomende fouten: verkeerde rij pakken, datum niet meenemen, of 34 lezen als 43.

Wat is een cel in een tabel?

A

een kopje

B

één vakje

C

een kolom

D

een hele rij

Controleert de basisbegrippen uit de eerste uitleg. Let vooral op verwarring tussen rij, kolom en cel.

Begrippen van een tabel

Een tabel ordent gegevens overzichtelijk. Je leest eerst de kopjes en kijkt daarna naar de juiste rij of kolom. Zo neem je een gegeven uit de goede cel over.

kopjes
rij
kolom
cel
datum
waarde
verschil
tijdstip

Alle kernwoorden komen rechtstreeks uit dit eerste subtopic en hebben elk maar één logische plek in de tekst.

Opdracht

Kraak de code

Noem veelvoorkomende fouten: verkeerde rij pakken, datum niet meenemen, of 34 lezen als 43.

Vergelijken in een tabel

Met een tabel kun je gegevens naast elkaar zetten.


Je vergelijkt bijvoorbeeld:

  • welk aantal meer dan een ander is

  • welke waarde tussen 2 andere waarden ligt

  • welk moment eerder of later is

Deze slide heeft geen instructies

Meer dan

De uitdrukking meer dan gebruik je als een aantal of waarde groter is.


Voorbeelden van zinnen:

  • 18 is meer dan 12.

  • Maandag zijn er meer bezoekers dan zondag.

  • Kolom B heeft meer punten dan kolom A.

Leg uit dat leerlingen altijd twee gegevens expliciet moeten vergelijken. Alleen zeggen 'het is meer' is niet precies genoeg.

Tussen ... en ...

De uitdrukking tussen ... en ... gebruik je om een waarde of tijdstip te plaatsen.


Voorbeelden:

  • 15 ligt tussen 12 en 18.

  • De meting valt tussen dinsdag en donderdag.

  • Deze waarde staat tussen 40 en 50.

Besteed aandacht aan de volgorde van de grenzen: eerst de lagere waarde of het eerdere moment, daarna de hogere waarde of het latere moment.

Vanaf welke datum?

Met vanaf welke datum zoek je het eerste moment waarop iets geldt.


Je kijkt naar:

  • de datums in volgorde

  • wanneer een verandering begint

  • vanaf welk vakje de nieuwe waarde te zien is

Benadruk dat 'vanaf welke datum' vraagt om het beginpunt, niet om alle datums waarop iets waar is.

Hoeveel meer?

Hoeveel meer vraagt niet welke waarde groter is, maar wat het verschil is.


Je berekent het verschil zo:

grotere waarde - kleinere waarde = hoeveel meer


Voorbeeld:

20 - 14 = 6, dus dat is 6 meer.

Wijs op het verschil tussen vergelijken ('meer dan') en verschil berekenen ('hoeveel meer'). Dat onderscheid is vaak lastig.

Wat vraagt 'hoeveel meer'?

A

de laagste waarde

B

het eerste tijdstip

C

het precieze verschil

D

de grootste waarde

Toetst het onderscheid tussen 'meer dan' en 'hoeveel meer', een veelgemaakte denkfout in dit blok.

Vergelijken met tabeltaal

Bij vergelijken gebruik je precieze taal. Een grotere waarde is meer dan een andere waarde. Een waarde kan ook tussen twee grenzen liggen. Met vanaf welke datum zoek je het eerste moment. Met hoeveel meer bereken je het verschil.

meer dan
tussen
vanaf welke datum
hoeveel meer
dalen
toenemen
kopje
kolom

Laat leerlingen niet alleen termen herkennen, maar ook koppelen aan hun functie bij het lezen van tabelgegevens.

Waarom zoek je bij 'vanaf welke datum' maar één beginpunt?

Verwachte elementen: leerlingen noemen dat je bij 'vanaf welke datum' het eerste moment zoekt waarop iets begint of geldt, niet alle latere datums. Laat ze benoemen dat je daarom datums in volgorde leest.

Richtingswoorden in tabellen

Richtingswoorden beschrijven een verandering in gegevens.


Belangrijke woorden:

  • stijgen

  • dalen

  • toenemen


Je gebruikt ze als waarden in de tijd veranderen.

Koppel de richtingswoorden aan tabellen, niet alleen aan grafieken. Ook in een tabel kun je zien of iets omhoog of omlaag gaat.

Aantallen, waarden en tijdstippen

Bij vergelijken let je op drie soorten gegevens:


  • aantallen: bijvoorbeeld 12, 24, 36

  • waarden: bijvoorbeeld punten, euro's of graden

  • tijdstippen: bijvoorbeeld dagen, maanden of datums


Lees steeds welke soort gegevens je vergelijkt.

Dit helpt leerlingen om taal en rekenen te verbinden: niet elk getal betekent hetzelfde.

Stijgen en toenemen

Als een waarde groter wordt, kun je zeggen dat die stijgt of toeneemt.


Voorbeelden:

  • Het aantal stijgt van 24 naar 30.

  • De waarde neemt toe in de volgende maand.

  • Na dinsdag is een hoger aantal te zien.

Je kunt kort benoemen dat stijgen en toenemen hier bijna hetzelfde betekenen: de waarde wordt hoger.

Dalen

Als een waarde kleiner wordt, daalt die.


Voorbeelden:

  • Het aantal daalt van 30 naar 22.

  • Na vrijdag is een lagere waarde te zien.

  • In de laatste rij staan minder punten dan eerder.

Laat leerlingen letten op de richting van de verandering: eerst de beginwaarde, daarna de eindwaarde.

Verschillen verwoorden

Gebruik tabelgegevens precies in een zin.


Goede formuleringen zijn bijvoorbeeld:

  • Het aantal op woensdag is hoger dan op dinsdag.

  • Vanaf 12 mei neemt de waarde toe.

  • Het verschil tussen deze twee dagen is 8.

  • De score daalt tussen maandag en donderdag.

Moedig volledige zinnen aan waarin zowel de gegevens als de vergelijking genoemd worden.

Welke verandering past bij 'dalen'?

A

24 naar 30

B

18 naar 25

C

30 naar 22

D

12 naar 12

De foute opties testen verwarring tussen stijgen, gelijk blijven en dalen.

Veranderingen precies verwoorden

Als een waarde hoger wordt, kun je zeggen dat die stijgt of toeneemt. Als een waarde lager wordt, daalt die. In een goede zin noem je ook het juiste tijdstip of de datum erbij.

stijgt
toeneemt
daalt
tijdstip
kopje
meer dan
rij
verschil

Sluit aan op het blok over richtingswoorden en precies formuleren met gegevens uit een tabel.

Wat vind jij het lastigst bij tabelzinnen maken?

1

juiste woorden

2

verschil noemen

3

datum lezen

4

richting zien

Deze slide heeft geen instructies

Een tabel invullen

Bij het invullen van een tabel neem je gegevens overzichtelijk over.


Let op:

  • elk gegeven komt in het juiste vakje

  • je volgt de kopjes van de tabel

  • je slaat geen rij of kolom over

Deze slide heeft geen instructies

Vast format volgen

Een vast format betekent dat de tabel een afgesproken indeling heeft.


Daarom werk je:

  • van links naar rechts

  • van boven naar beneden

  • precies volgens de kopjes en de volgorde

  • zonder gegevens te verplaatsen

Leg uit dat netjes werken hier helpt om fouten te voorkomen, niet alleen om de tabel mooi te maken.

Gegevens correct overnemen

Correct overnemen betekent:

  • cijfers exact opschrijven

  • de juiste datum bij de juiste waarde zetten

  • geen gegevens verwisselen

  • controleren of alles compleet is


Zo blijft de tabel betrouwbaar.

Benadruk het woord betrouwbaar: als één gegeven verkeerd staat, klopt de vergelijking daarna ook niet meer.

Overzicht houden

Een goed ingevulde tabel is duidelijk te lezen.


Kenmerken van overzicht:

  • dezelfde volgorde aanhouden

  • elke rij volledig invullen

  • lege vakjes opmerken

  • na afloop de hele tabel nog eens nalopen

Noem dat leerlingen beter fouten vinden wanneer zij na het invullen nog één keer rij voor rij controleren.

Opdracht

We gaan samen een Blooket maken over rekenen en tabellen.

Dit gaat ook met een tabel.

Hiermee kan de website "lezen" wat de vragen, de antwoorden en de goede antwoorden zijn.


Noem dat leerlingen beter fouten vinden wanneer zij na het invullen nog één keer rij voor rij controleren.

Opdracht

Kijk in je e-mail

Zoek het Excel bestand in de bijalge op en open dit.

Noem dat leerlingen beter fouten vinden wanneer zij na het invullen nog één keer rij voor rij controleren.

Wat heb je vandaag geleerd over tabellen lezen of invullen?

Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen concreet verwijzen naar bijvoorbeeld meer dan, hoeveel meer, stijgen/dalen of het invullen volgens format.

Wat hielp jou het meest om tabelgegevens goed te begrijpen?

Reflectie op leerstrategie. Mogelijke antwoorden: kopjes eerst lezen, datums in volgorde bekijken, verschil uitrekenen, rij voor rij controleren.

Welk onderdeel vond je het lastigst in deze les?

Reflectie op moeilijkheden. Gebruik antwoorden om eventueel het onderscheid tussen vergelijken, verschil berekenen en richtingswoorden te herhalen.

Begrippenlijst

tabel - een overzicht waarin gegevens in rijen en kolommen staan

rij - vakjes die naast elkaar staan

kolom - vakjes die onder elkaar staan

kopje - woord dat aangeeft welke gegevens ergens staan

cel - één vakje in een tabel

meer dan - groter dan een andere waarde

hoeveel meer - het verschil tussen twee waarden

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

tussen ... en ... - een waarde of tijdstip ligt binnen twee grenzen

vanaf welke datum - het eerste moment waarop iets begint of geldt

stijgen - hoger worden

toenemen - groter worden

dalen - lager worden

waarde - het getal dat bij een gegeven hoort

tijdstip - het moment of de datum waarop iets gebeurt

Deze slide heeft geen instructies