ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Examentraining
Celcommunicatie en zenuwstelsel: zo pak je examenvragen aan
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Examentraining
Celcommunicatie en zenuwstelsel: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Manuel Schottdorf / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Wat ga je kunnen?
Ik kan een grafiek van een membraanpotentiaal lezen, een verstoring in een zenuwcel beredeneren en een signaalroute herkennen.
Deze slide heeft geen instructies
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een grafiek, een schema, getallen of een stof?
2. Zoek: de assen en eenheden: tijd in ms, potentiaal in mV, de rustwaarde en de prikkeldrempel.
3. Redeneer: welk ion beweegt, welk kanaal of welke pomp werkt, en wat betekent dat voor de potentiaal?
4. Schrijf: een kort antwoord met het begrip én de reden, met eenheid als je rekent.
Deze slide heeft geen instructies
Grafiek van een actiepotentiaal met de fasen
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 1: een potentiaalgrafiek lezen
Lees eerst de assen: tijd in ms horizontaal, membraanpotentiaal in mV verticaal.
Rust is de lage, vlakke lijn; de prikkeldrempel is de waarde waar de snelle stijging begint.
Lees een tijdstip of waarde af op het raster en reken verschillen uit in mV.
Image credit: Eigen schema, LessonUp
Op welk tijdstip wordt de prikkeldrempel bereikt?
Na 2,0 ms
Na 1,5 ms
Na 2,5 ms
Na 3,0 ms
De lijn snijdt de gestippelde lijn van -55 mV bij 2,0 ms. Bij 2,5 ms ligt de piek en bij 3,0 ms is de repolarisatie bijna klaar. Verwachte fout: 2,5 ms kiezen omdat daar de piek ligt. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp
Rust -70 mV, piek +40 mV. Verschil in mV?
Van -70 naar +40 is 110 mV. Verwachte fout: 40 minus 70 uitrekenen en -30 vinden.
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 2: een verstoring beredeneren
Bepaal eerst welke stap wordt gestoord: pomp, kanaal, myelineschede of synaps.
Volg de gevolgen stap voor stap: welk ion kan niet meer bewegen en wat doet de potentiaal?
Noem het gevolg voor het signaal én de reden.
Deze slide heeft geen instructies
Een gif blokkeert de Na+-kanalen in een axon. Wat gebeurt er met een prikkel?
De prikkeldrempel wordt lager, er komen meer impulsen
De repolarisatie gaat sneller, de piek wordt hoger
K+ stroomt de cel in, de rustpotentiaal stijgt
Geen depolarisatie, dus geen actiepotentiaal
Zonder instroom van Na+ komt er geen depolarisatie en dus geen actiepotentiaal. Verwachte fout: denken dat blokkeren van een kanaal de gevoeligheid verhoogt.
Twee even dikke axonen: A heeft een myelineschede, B niet. Welke is sneller?
Axon A, want de myelineschede maakt de piek hoger
Axon A, want de impuls springt langs de insnoeringen
Axon B, want zonder myeline is er minder weerstand
Beide even snel, want de rustpotentiaal is gelijk
Bij A springt de impuls van insnoering naar insnoering, bij B moet elk stukje membraan opnieuw depolariseren. Verwachte fout: denken dat myeline de piek hoger maakt. De piek is even groot; alleen de geleiding verschilt.
Een synaps met blaasjes, synapsspleet en receptoren
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 3: signaalverwerking in een synaps
Een synaps werkt exciterend (potentiaal omhoog) of inhiberend (potentiaal omlaag).
In de grafiek zie je het effect van elke synaps los en samen.
Een actiepotentiaal ontstaat pas als de potentiaal boven de prikkeldrempel komt.
Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welke synaps is inhiberend?
Synaps Q
Synaps P
Synaps R
Synapsen P en R
Alleen na Q daalt de potentiaal, onder de rustwaarde. Na P stijgt de potentiaal, en P en R samen leveren een actiepotentiaal op. Verwachte fout: P kiezen omdat de lijn daar ook beweegt. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp
Waarom ontstaat bij 50 ms wel een actiepotentiaal?
Q is op dat moment ook actief
De rustpotentiaal is lager geworden
P en R samen brengen de potentiaal boven de drempel
De refractaire periode is net voorbij
P alleen blijft onder de prikkeldrempel (-55 mV); samen met R komt de potentiaal erboven. Verwachte fout: de refractaire periode noemen, maar er was nog geen eerdere actiepotentiaal. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 4: een signaalroute herkennen
Peptidehormoon: receptor in het celmembraan, second messenger. Steroidhormoon: receptor in het cytoplasma.
Reflexboog: volg de route receptor, sensorisch neuron, schakelneuron, motorisch neuron en spier.
Bij een schema met letters: leg elke letter vast aan de plek in de route.
Deze slide heeft geen instructies
Cellen met receptoren alleen in het celmembraan reageren op welk hormoon?
Een steroidhormoon
Een peptidehormoon
Beide soorten hormonen
Geen van beide soorten
Een steroidhormoon heeft een receptor in het cytoplasma nodig. Een peptidehormoon past op een receptor in het celmembraan. Verwachte fout: beide soorten kiezen.
Welke letter is het motorisch neuron?
Letter B
Letter C
Letter E
Letter D
A is de receptor in de huid, B het sensorisch neuron, C het schakelneuron, D het motorisch neuron en E de spier. Verwachte fout: E kiezen omdat de spier de reactie uitvoert. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een potentiaalgrafiek lezen
Een verstoring beredeneren
Signaalverwerking in een synaps
Een signaalroute herkennen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.
ZELFREGULATIE · ZENUWSTELSEL
Tips voor op het examen
Lees bij een grafiek altijd eerst de assen en de eenheden, en teken de prikkeldrempel in als die niet staat.
Depolarisatie komt door Na+ dat naar binnen gaat, repolarisatie door K+ dat naar buiten gaat.
Een inhiberende synaps verlaagt de potentiaal, een exciterende verhoogt hem; de cel telt de effecten op.
Bij een reflexboog: noem steeds de volgorde receptor, sensorisch neuron, (schakelneuron), motorisch neuron, spier.
Deze slide heeft geen instructies