Theorie deel 1 lj1 dltk4 25/26

Theorie deel 1 lj1 deeltaak 4
Wat moet je allemaal weten voor de toets (in de toetsweek)
Deel 1
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
DramaMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Theorie deel 1 lj1 deeltaak 4
Wat moet je allemaal weten voor de toets (in de toetsweek)
Deel 1

Slide 1 - Tekstslide

Wat zijn spelgegevens?

Slide 2 - Woordweb

Spelgegevens
* wie * karakter van de rol * uiterlijke kenmerken * relatie tot andere rollen  
* wat* handelingen 
* waar * locatie 
* waarom* motieven 
* wanneer * tijdsperiode 

Slide 3 - Tekstslide

opdracht
Rol
Actie / Verhaal
Ruimteplaats
Tijd
Motief
Waar
Wie
Wat
(Handeling / Conflict)
Waarom
Wanneer

Slide 4 - Sleepvraag

Video fragment
Kijk naar de volgende tv reclame van een verzekeringsmaatschappij.
Wat zijn de spelgegevens?

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Wat zijn de volgende spelgegevens van deze commercial?
Beschrijf
Wie:
Waar:
wanneer:
wat:
waarom:

Slide 7 - Open vraag

De 4 basis emoties
De 4 basis emoties zijn:
Blij
Boos
Bang
Bedroefd

We noemen ze ook wel de 4B's

Slide 8 - Tekstslide

Typetje, persiflage, personage
Je kunt iemand op verschillende manieren spelen. 
In deeltaak 1 hebben we het onderscheid gemaakt tussen een:
1) typetje
2) persiflage
3) personage

Slide 9 - Tekstslide

Wat betekent het spelen van een typetje?
A
Dat je 1 eigenschap uitvergroot.
B
Dat je een paar eigenschappen uitvergroot.
C
Dat je iemand nadoet.
D
Dat je veel eigenschappen speelt.

Slide 10 - Quizvraag

Wat betekent het spelen van een persiflage?
A
Dat je 1 eigenschap uitvergroot.
B
Dat je een paar eigenschappen uitvergroot.
C
Dat je iemand nadoet.
D
Dat je veel eigenschappen speelt.

Slide 11 - Quizvraag

Rolbiografie
Je kunt voor een personage een rolbiografie schrijven.
Deze bestaat uit:
Karaktereigenschappen, fysieke eigenschappen en feitelijke informatie.

Een rolbiografie helpt de acteur om zijn personage beter te kunnen spelen.

Slide 12 - Tekstslide

Typetje
Personage
Persiflage

Slide 13 - Sleepvraag

Het “gereedschap” van een acteur.
Hoe kan een acteur een personage vormgeven in spel:

- Fysiek: lichaamshouding, manier van bewegen
- Mimiek: gezichtsuitdrukking
- Stemgebruik: hoog/laag, tempo, accent, zacht/hard, stiltes, etcetera
Bijvoorbeeld:
Personage: Gerard, een verdrietige, oude man van 85
- Fysiek: Heeft een kromme rug, loopt langzaam omdat zijn knieën zijn versleten. Hij loopt met een wandelstok.
- Mimiek: Hij knijpt met zijn ogen en zijn mondhoeken hangen naar beneden.
- Stem: Hij mompelt binnensmonds en heeft een rokershoestje. 



Slide 14 - Tekstslide