cross

3V Rekenen met massaverhoudingen

Rekenen aan reacties met massaverhoudingen

1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare school

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Rekenen aan reacties met massaverhoudingen

Slide 1 - Tekstslide

Kenniskaart
Op Classroom vind je een kenniskaart met een stappenplan voor het rekenen aan reacties m.b.v. massaverhoudingen. 

Ga nu naar Classroom en bestudeer deze kenniskaart voor je verder gaat met deze les.

Slide 2 - Tekstslide

Het huiswerk was: lezen H2.5 en maken opg. 35 en 36.
Heb je de opgaven geprobeerd te maken?
A
ja
B
nee

Slide 3 - Quizvraag

Het huiswerk was: lezen H2.5 en maken opg. 35 en 36.
Had je de opgaven goed en denk je dat begrijpt hoe je moet rekenen met massaverhoudingen?
A
ja
B
nee

Slide 4 - Quizvraag

Als opg. 35 en 36 goed gingen en je hebt geen vragen, klik je door naar slide 19.
Gingen opg. 35 en/of 36 niet goed, schrijf dan op waarom je denkt dat het niet lukte. Vervolgens ga je gewoon naar de volgende slide.

Slide 5 - Open vraag

35) In een salmiakfabriek reageert 9,0 kg van het gas waterstofchloride met
       ammoniak. (salmiak heeft als formule NH4Cl)
a) Geef het reactieschema van deze reactie.
     Elke keer als er staat: "reactieschema" lees je: "reactievergelijking"


Rekenen aan reacties begint met het opschrijven van een kloppende reactievergelijking. 
Schrijf nu de reactievergelijking op voor de vorming van salmiak uit waterstofchloride en ammoniak.
Help! Hoe moet dat?

Slide 6 - Tekstslide

35) In een salmiakfabriek reageert 9,0 kg van het gas waterstofchloride met
       ammoniak. (salmiak heeft als formule NH4Cl)
b) Bereken hoeveel ammoniak je nodig hebt om alle waterstofchloride te laten reageren.
     Je moet dan eerst weten in welke massaverhouding waterstofchloride en  ammoniak met
     elkaar reageren.

Uit de reactievergelijking en de molecuulmassa's kun je de massaverhouding berekenen. 
Bereken nu de massaverhouding waarin waterstofchloride en ammoniak met elkaar reageren en salmiak ontstaat.
Help! Hoe moet dat?

Slide 7 - Tekstslide

35) In een salmiakfabriek reageert 9,0 kg van het gas waterstofchloride met
       ammoniak. (salmiak heeft als formule NH4Cl)
b) Bereken hoeveel ammoniak je nodig hebt om alle waterstofchloride te laten reageren.
     Je weet nu in welke massaverhouding waterstofchloride en  ammoniak met elkaar reageren.
     Wat je hebt berekend komt overeen met de (vereenvoudigde) massaverhouding zoals die
     staat in tabel 2.1 op pagina 53.

Met de nu bekende massaverhouding en het gegeven dat 9,0 kg waterstofchloride reageert, kun je nu via een verhoudingstabel met kruislings vermenigvuldigen berekenen hoeveel kg ammoniak er nodig is om alle waterstofchloride op te laten reageren.
Bereken nu hoeveel kg ammoniak er nodig is om alle waterstofchloride op te laten reageren.
Kijk naar de kenniskaart of de "zo doe je dat" op pagina 53 voor hulp.

Slide 8 - Tekstslide

35) In een salmiakfabriek reageert 9,0 kg van het gas waterstofchloride met
       ammoniak. (salmiak heeft als formule NH4Cl)
c) Bereken hoeveel salmiak er maximaal kan ontstaan.
     Je weet al in welke massaverhoudingen de beginstoffen met elkaar reageren en salmiak
     ontstaat. Je weet ook al hoeveel kg ammoniak er reageert met 9,0 kg waterstof (vraag b). En je
     kent de wet van massabehoud: totale massa beginstoffen = totale massa reactieproducten.

Omdat er hier maar één reactieproduct is, is de eenvoudigste methode gebruik maken van je antwoord op vraag b en de wet van massabehoud.
Bereken nu hoeveel kg salmiak er ontstaat wanneer 9,0 kg waterstofchloride reageert met voldoende ammoniak (= kg ammoniak dat je bij vraag b berekend hebt).
Kijk naar de kenniskaart of de "zo doe je dat" op pagina 53 voor hulp.

Slide 9 - Tekstslide

35) In een salmiakfabriek reageert 9,0 kg van het gas waterstofchloride met
       ammoniak. (salmiak heeft als formule NH4Cl)
De juiste antwoorden zijn:
a)                                               HCl(g)NH3(g) → NH4Cl(s) 
b)  massaverhouding         2,1      :      1,0        :      3,1
      massa werkelijk           9,0 kg           ?                                           ? = 9,0 x 1,0 / 2,1 = 4,3 kg NH3
c)  massabehoud              9,0 kg   +   4,3 kg   =   13,3 kg NH4Cl
     


Slide 10 - Tekstslide

Ik had nu opgave 35a goed.
A
ja
B
nee

Slide 11 - Quizvraag

Ik had nu opgave 35b goed.
A
ja
B
nee

Slide 12 - Quizvraag

Ik had nu opgave 35c goed.
A
ja
B
nee

Slide 13 - Quizvraag

36) Bij de elektrolyse van een bepaalde hoeveelheid koperchloride (CuCl2)
       ontstaat 25,0 dm3 chloorgas en 63,5 g vast koper. 
a) Geef het reactieschema van deze reactie.
     Elke keer als er staat: "reactieschema" lees je: "reactievergelijking"
b) Bereken hoeveel g koperchloride nodig is om 25,0 dm3 chloorgas en 63,5 g koper te maken.
     De dichtheid van chloorgas is 2,84 g/dm3.
     Als je de massa in g van 25,0 dm3 chloorgas berekend, kun je met de wet van massabehoud
     berekenen hoeveel g koperchloride nodig is. Dan heb je de massaverhouding tussen deze
     drie stoffen gevonden.
c) Bereken hoeveel ton koperchloride nodig is voor de bereiding van 1,0 ton koper.
     1 ton = 1.000 kg = 1.000.000 g
     Gebruik de massaverhouding tussen koperchloride en koper die je bij vraag b gevonden hebt.

Slide 14 - Tekstslide

36) Bij de elektrolyse van een bepaalde hoeveelheid koperchloride (CuCl2)
       ontstaat 25,0 dm3 chloorgas en 63,5 g vast koper. 
De juiste antwoorden zijn:
a)                                                                                                                    CuCl2(aq) → Cl2(g)     +      Cu(s)
b) m(Cl2) = rho x V = 2,84 g/dm3 x 25,0 dm3 = 71 g
     massaverhouding                                                                                     ?              :      71          :       63,5 
     massabehoud:             ? = 71 g + 63,5 g = 134,5 g CuCl2 
c) massaverhouding                                                                                134,5          :      71          :        63,5
     massa werkelijk                                                                                          ?                                             1,0 ton
                                                  ? = 1,0 ton x 134,5 / 63,5 =  2,1 ton CuCl2


Slide 15 - Tekstslide

Ik had nu opgave 36a goed.
A
ja
B
nee

Slide 16 - Quizvraag

Ik had nu opgave 36b goed.
A
ja
B
nee

Slide 17 - Quizvraag

Ik had nu opgave 36c goed.
A
ja
B
nee

Slide 18 - Quizvraag

Als je opgave 36 nog niet zelf tot een goed einde kon brengen, oefen dan verder met opgave 38.

Een verbranding is een reactie met zuurstof. Magnesiumoxide heeft als formule MgO. Gebruik de kenniskaart. Bereken zelf eerst de massaverhoudingen en controleer deze met tabel 2.1 op pagina 53.
Als je opgave 36 nu wel tot een goed einde kon brengen of dat lukte al tijdens het maken van het huiswerk, dan ga je verder met opgaven 41 en 45.

Overmaat betekent dat er iets van beginstof A overblijft, terwijl beginstof B helemaal op reageert.
Gebruik de kenniskaart.

Slide 19 - Tekstslide