Verwijswoorden, verbindingswoorden, signaalwoorden

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsPraktijkonderwijsMBOLeerjaar 5Studiejaar 1

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

              Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Wisbordje, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 2 - Tekstslide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Lesplanning
  • Voorkennis activeren 
  • Leerdoelen van de les 
  • Uitleg verwijswoorden, verbindingswoorden en signaalwoorden
  • Werkblad
  • # Exit ticket 
  • Woordenboek 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VOORKENNIS

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stap 1

Ali werkt in de keuken.



Sara werkt in de winkel.
Over wie gaat deze zin?
Over wie gaat deze zin?

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stap 2
Ali werkt in de keuken. Hij maakt brood. 


Sara werkt in de winkel. Zij helpt klanten.
Wie is hij?
Wie is zij?

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stap 3
Ali werkt in de keuken. Hij maakt brood.

Ali werkt in de keuken en hij maakt brood.

Ali werkt in de keuken maar het is soms druk.


Wat verandert er als je EN gebruikt? 
Wat verandert er bij MAAR?

Slide 7 - Tekstslide

EN = iets erbij

MAAR = tegenstelling
Stap 4
Ik ga naar school … ik wil leren.
Ik wil buiten spelen … het regent.
Ik eet fruit … een appel.

Kies uit de volgende woorden:
en – maar – want – bijvoorbeeld

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Leerdoelen
  • Ik herken verwijswoorden in een korte tekst. (R)
  • Ik herken verbindingswoorden en signaalwoorden. (R)
  • Ik kan verwijswoorden, verbindingswoorden en signaalwoorden onderstrepen in een korte tekst. (T1)

Slide 9 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   
Inleiding
Als je een tekst leest of luistert, hoor je woorden die vertellen hoe de tekst in elkaar zit.
Met deze woorden snap je sneller wat belangrijk is.
Dat helpt je straks bij het maken van een samenvatting.”

Tijdens deze les behandelen we:
  • Verwijswoorden
  • Verbindingswoorden
  • Signaalwoorden

Slide 10 - Tekstslide

» Waar heb je eerder een samenvatting gemaakt?
» Wat vind je moeilijk aan samenvatten?
signaal- en verwijswoorden
Schrijf op je wisbordje de juiste volgorde van de zinnen op.

  • Het is soms druk.
  • Hij repareert auto’s.
  • Daarom werkt hij snel.
  • Sam werkt in een garage.
opdracht
Lees deze zinnen.
Ze staan door elkaar.
Welke zinnen horen bij elkaar?
Zet ze in de goede volgorde.

Slide 11 - Tekstslide

» Waar heb je eerder een samenvatting gemaakt?
» Wat vind je moeilijk aan samenvatten?
signaal- en verwijswoorden
  • Sam werkt in een garage.

  • Hij repareert auto’s.
  • Het is soms druk.
  • Daarom werkt hij snel.

Slide 12 - Tekstslide

» Waar heb je eerder een samenvatting gemaakt?
» Wat vind je moeilijk aan samenvatten?
Verwijswoorden
Bij opdracht 5 moet je opschrijven wat je hoort. Je kunt niet alles opschrijven.
Daarom luister je naar woorden die laten zien wat belangrijk is.
Verwijswoorden zeggen over wie of wat het gaat.
Ze verwijzen terug naar iets dat al genoemd is.
voorbeelden:
- hij        - zij
- het      - dit
- dat      - deze
- die
Zo herken je ze
Stel jezelf de vraag:

Over wie gaat dit?

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld
Fatima loopt stage in een supermarkt. Ze vult vakken.

Over wie gaat dit? -> Ze gaat over .....
Waarom belangrijk bij luisteren?

Als je een verwijswoord hoort, weet je:
 → het gaat nog steeds over dezelfde persoon of hetzelfde onderwerp.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Checkvraag
Schrijf het antwoord op je wisbordje.

  • Jesse werkt in de zorg. Hij helpt ouderen.
     Wie is hij?
  • Noor werkt in een keuken. Ze snijdt groenten.
    Over wie gaat het?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verbindingswoorden
Verbindingswoorden plakken zinnen aan elkaar.






Na een verbindingswoord komt vaak nieuwe of belangrijke informatie.
Veelgebruikte woorden:
- en
- maar
- want
- omdat
- of
Wat doen ze?

en → iets erbij
maar → iets anders of tegenovergesteld
want / omdat → reden
voorbeeld
Ik werk graag buiten, maar het regent.
→ Let op: hier verandert iets.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Checkvraag
Schrijf het antwoord op je wisbordje.

  • Ik wil naar buiten, … het regent.
     kies uit en of maar
  • Ik ga naar school, want ik wil leren.
     welk woord laat de reden zien?

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Signaalwoorden
Signaalwoorden laten zien hoe de tekst is opgebouwd.
Ze geven richting.





Als je een signaalwoord hoort, weet je
→ dit stukje moet ik opschrijven.

Tijd
- eerst
- daarna
- later
- tot slot
Reden / gevolg
- omdat
- want
- daarom
- daardoor
Tegenstelling
- maar
- toch
Voorbeeld
- bijvoorbeeld
voorbeeld
Het is druk. Daarom werkt hij snel.
→ Daarom laat een gevolg zien.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Checkvraag
Schrijf het antwoord op je wisbordje.

  • Eerst maak ik mijn tas klaar. Daarna ga ik naar school.
     Gaat dit over tijd of over een reden?
  • Het is druk. Daarom werkt hij snel.
     wat is het signaalwoord?

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Checkvraag
Noor loopt stage in een keuken. Ze vindt het leuk, maar het is soms druk. Daarom werkt ze snel.

Noem één woord dat helpt om de tekst te begrijpen.


Slide 20 - Tekstslide

Goede antwoorden:

ze
maar
daarom
WERKBLAD
timer
10:00

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

EXIT TICKET

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

We sluiten de les af met duimen.
Denk even na over de les van vandaag.
  • Ik kan verwijswoorden herkennen.
    👍 duim omhoog = ja
    👉 duim opzij = een beetje
    👎 duim omlaag = nee

  • Ik kan verbindingswoorden herkennen.
    👍 / 👉 / 👎

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Aan de slag met je woordenboek
Je gaat verder met je eigen woordenboek maken.

» Eerst schrijf je het woord op, daarna zoek je de betekenis van het
   woord op.
» Je kunt hiervoor een online woordenboek of chat GPT gebruiken.
» De betekenis van het woord schrijf je in je eigen woorden op.
» Ook schrijf je een goede zin met het woord.

Slide 24 - Tekstslide

6. Actieve verwerking
De docent maakt expliciet hoe de leerstof actief verwerkt dient te worden. De docent start met modelleren en laat leerlingen vervolgens actief inoefenen. Volgens het 'ik-wij-jullie/jij-wij' principe wordt de ondersteuning geleidelijk afgebouwd. Er wordt gevarieerd in oefentypes en het leerproces wordt zichtbaar gemaakt, bijvoorbeeld met hardop denken opdrachten. Effectieve leerstrategieën zoals zelftesten, gespreid leren, schema’s maken, en samenvatten volgens de Cornell-methode worden expliciet aangeleerd. Dit herkneden van de lesstof helpt bij het bewerken van het lange termijn geheugen