Will Shall and review going to.

TOPIC: Canada
Unit 4
CANADA
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo k, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

TOPIC: Canada
Unit 4
CANADA

Slide 1 - Tekstslide

TODAY
Learning targets
  • Writing short messages to confirm or cancel plans
  • Writing simple messages with explanations

Words: Going out

    Slide 2 - Tekstslide

    Hoe vervoeg  'to be going to' in een
    (bevestigende) vragend (?)of ontkennende zin (-)?
    Am + I  + going to + hele werkwoord?
     Are you/we/they  + going to + hele werkwoord?
     Is + he/she/it +  going to + hele werkwoord?
                    
     Bijv. Am I going to visit my grandmother today?

                                                                         I + am not + going to + hele werkwoord
                                                                        You/we/they + are not + going to + hele werkwoord
                                                                        He/she/it + is not + going to + hele werkwoord

                                                                        Bijv. I am not going to visit my grandmother today. 

    Slide 3 - Tekstslide

    Let's practice:

    Slide 4 - Tekstslide

    Peter .... study History after his exams.
    A
    am going to
    B
    is going to
    C
    are going to

    Slide 5 - Quizvraag

    What are you doing next weekend?
    I .... celebrate my birthday Saturday night.
    A
    am going to
    B
    is going to
    C
    are going to

    Slide 6 - Quizvraag

    Maybe I .... go home. Or maybe not. I don't know yet.
    A
    am going to
    B
    is going to
    C
    are going to

    Slide 7 - Quizvraag


    Will & Shall

    Slide 8 - Tekstslide

    2 manieren will + hele werkwoord
    1. Als je een beslissing neemt (plan maakt) op het moment van spreken.

    Bijv. Do you think John is at home? I think I will call him this afternoon. 
             (Op het moment van spreken besluit je om John vanmiddag te gaan bellen)

    2. Bij een wens, veronderstelling, belofte, aanbod, verzoek of voorspelling
      
    Bijv. He will not be on time, he is always late.                      (= voorspelling)
             Those boxes look heavy, I will help you carry them.    (= aanbod)


    Slide 9 - Tekstslide

    Hoe zit het nu tussen will en shall?
    • In vragen kun je will of shall gebruiken.
    • Shall gebruik je alleen met I en we. 
    • Shall wordt vooral gebruikt om te vragen naar een mening, bij voorstellen en om iets aan te bieden. 

    bijv.  Will you/he/she/it/they do that?
              Shall we/I do that?
              Shall we go out or stay in?  - (je vraagt naar een mening)
              Shall we go shopping this weekend?  - (je doet een voorstel)

    Slide 10 - Tekstslide

    ___ they ___ (move) next week or the week after?

    Slide 11 - Open vraag

    ___ I ___ (help) you with moving the boxes?

    Slide 12 - Open vraag

    Ik weet wanneer ik to be going to/will/shall moet gebruiken.
    ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

    Slide 13 - Poll

    Ik heb behoefte aan extra uitleg over deze grammatica.
    A
    ja
    B
    nee

    Slide 14 - Quizvraag

    Ik ga deze grammatica vaker oefenen.

    0100

    Slide 15 - Poll

    Any questions?

    Slide 16 - Tekstslide