NT2 zinsbouw

Zinnen maken
Aan het eind van de les kan ik: 

Goede zinnen schrijven
Vraagzinnen maken
Geen/niet

Taalcompleet


1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2NederlandsISK

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Zinnen maken
Aan het eind van de les kan ik: 

Goede zinnen schrijven
Vraagzinnen maken
Geen/niet

Taalcompleet


Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

1
2
3
Persoon/Ding/Dier
Activiteit 
Extra Info 
Hij 
wandelt 
met de hond. 
Jullie 
fietsen 
naar school.
De poes 
eet 
de vis. 
De bank
staat
in de woonkamer.

Slide 3 - Tekstslide

1
2
3a
3b
3c
Persoon/ding/dier
Activiteit
Wanneer
Wat 
Waar
Ik 
loop 
elke dag 
5 km 
in het bos
Mijn oma 
kookt 
op zondag 
kippen-
soep 
in de keuken 
De poes 
eet 
altijd
vis 
bij het water. 
De bank
staat
nu
mooi
in de woonkamer

Slide 4 - Tekstslide

Maak een goede zin.
Jij
schrijft
elke ochtend
nieuwe zinnen
in je schrift
.

Slide 5 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
De juf
geeft
om 10 uur
de rekentoets
in het lokaal
.

Slide 6 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
Wij
leren
elke week
nieuwe werkwoorden
op school
.

Slide 7 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
Jullie
pakken
in de pauze
de telefoons
uit de rode bak
.

Slide 8 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
De pen
ligt
elke avond
in de blauwe bak
.

Slide 9 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
De koffie
staat 
om 8:15
op het bureau
.

Slide 10 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
De kinderen
spelen
onder schooltijd
op het schoolplein
.

Slide 11 - Sleepvraag

Ik ...
A
schrijf
B
lopen
C
denkt
D
hebben

Slide 12 - Quizvraag

Jij
A
praten
B
help
C
weten
D
loopt

Slide 13 - Quizvraag

Hij/Zij/Het
A
denken
B
praten
C
zit
D
loop

Slide 14 - Quizvraag

Wij/Jullie/Zij
A
helpt
B
denk
C
praat
D
lopen

Slide 15 - Quizvraag

Schrijf een goede zin
(wie, werkwoord)

Slide 16 - Open vraag

Schrijf een goede zin
(wie, werkwoord, wanneer)

Slide 17 - Open vraag

Schrijf een goede zin
(wie, werkwoord, wanneer, waar)

Slide 18 - Open vraag

Schrijf een goede zin
(wie, werkwoord, wanneer, waar)

Slide 19 - Open vraag

Schrijf een goede zin
(wie, werkwoord, wanneer, waar)

Slide 20 - Open vraag

Schrijf een goede zin
(wie, werkwoord, wanneer, waar)

Slide 21 - Open vraag

Vraagzinnen maken van een gewone zin.

Slide 22 - Tekstslide

      1                       2                           3
subject      persoonsvorm         de rest
wie/wat      doet/activiteit        informatie
Structuur van hoofdzin
Hoofdzin:                                   Vraagzin:
Jullie drinken koffie.      >>>   Drinken jullie koffie?
Ze vindt pinda's lekker. >>>  Vindt ze pinda's lekker?

Slide 23 - Tekstslide

Hoofdzin:                                   Vraagzin:
Jullie drinken koffie.      >>>   Drinken jullie koffie?
Ze vindt pinda's lekker. >>>  Vindt ze pinda's lekker?
Structuur vraagzin:
   2                     1                        3
     werkwoord         wie/wat          informatie activiteit             subject           de rest

Slide 24 - Tekstslide

Vraagzin zonder een vraagwoord
Isa     gaat     naar de markt.
Gaat       Isa     naar de markt? 
werkwoord    +    wie/wat   +      rest
         2     (inversie)                       3

Slide 25 - Tekstslide

1-2-3-zinnen
1
2
3
Persoon/Ding/Dier
werkwoord/ activiteit 
extra Info 
Hij 
wandelt 
met de hond. 
Jullie 
fietsen 
naar school.
De poes 
eet 
de vis. 
De bank
staat
in de woonkamer.

Slide 26 - Tekstslide

Vraagzinnen zonder vraagwoord
2
1
3
Werkwoord
Wie/wat
Rest
Wandelt
hij
met de hond?
Fietsen
jullie
naar school?
Eet
de poes
de vis?
Staat
de bank
in de woonkamer?
Ga
jij
boodschappen doen?

Slide 27 - Tekstslide

Pjotr gaat naar zijn werk.
(maak hiervan een vraagzin)

Slide 28 - Open vraag

De poes slaapt op de bank.
(maak hiervan een vraagzin)

Slide 29 - Open vraag

De vrouw doet de was.
(maak hiervan een vraagzin)

Slide 30 - Open vraag

Vraagzinnen maken met een vraagwoord
Kijk en luister naar de uitleg in de volgende video.

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Video

Vraagzinnen met vraagwoord
Ook bij vraagzinnen met vraagwoorden gebruiken we inversie:
Wie ben jij?
Waar is mijn boek?
Waarom zijn bananen krom?
Welke datum is het vandaag?
Hoe heet jij?

Slide 33 - Tekstslide

Vraagzinnen zonder vraagwoord
2
1
3
Werkwoord
Wie/wat
Rest
Wandelt
hij
met de hond?
Fietsen
jullie
naar school?
Eet
de poes
de vis?
Staat
de bank
in de woonkamer?
Ga
jij
boodschappen doen?

Slide 34 - Tekstslide

Vraagzinnen met vraagwoord
2
1
3
Vraagwoord
Werkwoord
Wie/wat
Rest
Waar
wandelt
hij
met de hond?
Wanneer
fietsen
jullie
naar school?
Wat
eet
de poes
bij het water?
Waar
staat
de bank
in de woonkamer?

Slide 35 - Tekstslide

Pjotr gaat naar zijn werk.
(maak een vraagzin met vraagwoord)

Slide 36 - Open vraag

De poes slaapt op de bank.
(maak een vraagzin met vraagwoord)

Slide 37 - Open vraag

De vrouw doet de was.
(maak een vraagzin met vraagwoord)

Slide 38 - Open vraag

Vragen stellen met een vraagwoord
Wie is die jongen?
Wat eten we vanavond?
Waar woon je?
Wanneer begint de les?
Hoeveel dagen is de winkel open?
Waarom doe je dat?
 Welke dag is het?                                                            
Schrijf de vraagzinnen in je schrift                           Vergeet het vraagteken niet ?
vraagwoord      werkwoord     wie/wat     rest    ?
                                   2                                3

Slide 39 - Tekstslide

Vragen maken bij een praatplaat
Schrijf 5 vraagzinnen in je schrift:  
- twee vraagzinnen zonder vraagwoord
- drie vraagzinnen met vraagwoord
- let op de goede volgorde

Kies een vraagzin en schrijf die op de volgende dia.


Slide 40 - Tekstslide

Schrijf hier één van je vraagzinnen bij de praatplaat

Slide 41 - Open vraag

Antwoord geven bij een praatplaat
Praat nu met een andere cursist:
- stel je vragen aan de ander
- luister naar de antwoorden
- geef antwoord op de vragen van de ander
- schrijf je antwoorden in je schrift

Slide 42 - Tekstslide

Niet of geen?
We gebruiken de woorden niet of geen om te ontkennen. 
Ontkennen is 'nee zeggen'. 

Kom je morgen ook?
Nee ik kom niet. 

Slide 43 - Tekstslide

De ontkenning
* Negatief
* Niet/geen


Anna drinkt geen water.
Mijn broer werkt niet.

Slide 44 - Tekstslide

De ontkenning: 'Geen'
A                                                                       B                  
                                                           
Heb jij een fiets? 
Nee, ik heb geen fiets.
Wil jij koffie?
Nee, ik wil geen koffie.
Wil jij taart?
Nee, ik wil geen taart.
Drink jij melk?
Nee, ik drink geen melk.
Spreek je Duits?
Nee, ik spreek geen Duits.
Heb jij kinderen?
Nee, ik heb geen kinderen.
Heb jij een hond?
Nee, ik heb geen hond.
Heb jij een pen?
Nee, ik heb geen pen.
Eet jij groenten?
Nee, ik eet geen groenten

Slide 45 - Tekstslide

De ontkenning: 'niet'
A                                                                               B
Ben je jarig?
Nee, ik ben niet jarig.
Hou je van sport?
Nee, ik hou niet van sport.
Kom je uit Nederland?
Nee, ik kom niet uit Nederland.
Fiets je naar je werk?
Nee, ik fiets niet naar mijn werk.
Rook je?
Nee, ik rook niet.
Ben je getrouwd?
Nee, ik ben niet getrouwd?
Ga je op vakantie?
Nee ik ga niet op vakantie.
Ga je mee naar .......?
Nee, ik ga niet mee naar .......
Woon je in Rotterdam?
Nee ik woon niet in Rotterdam.

Slide 46 - Tekstslide

Maak deze zinnen ontkennend.
1. Ik drink water.
2. Ik heb een pen.
3. Ik heb de pen.
4. Ik schrijf met een pen.
5. Ik ben boos.
6. Ik wil slapen.

Slide 47 - Tekstslide

Maak de zinnen ontkennend en schrijf ze in je schrift
Ik zit in de les.
Ik ben blij. 
Ik heb een leuke klas.
Drink jij koffie?
Wij hebben twee telefoons.
Hij gaat graag naar de stad.
Anton en Habtom luisteren altijd.

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Video