Les 6.3 31 mei

 Today
  • Vocabulary check
  • Pronunciation vocabulary 6.2
  • Work on homework exercises
  • Explain grammar: 
       -  Comparisons
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

 Today
  • Vocabulary check
  • Pronunciation vocabulary 6.2
  • Work on homework exercises
  • Explain grammar: 
       -  Comparisons

Slide 1 - Tekstslide

Vocabulary check
1.   hagedis
Translate the words below into English.
2.  schade
3.  krabben
4.  stelen
5.  ingang
6.  doodsbang
7.   voeren
8.  omheind stuk land
9.  waarschuwing
10.  ophalen
timer
4:00

Slide 2 - Tekstslide

Vocabulary check
1.   lizard
Translate the words below into English.
2.  damage
3.  scratch
4.  steal
5.  entrance
7.   feed
8.  enclosure
9.  warning
10.  collect
6.   terrified

Slide 3 - Tekstslide

Vocabulary
Page 131

    Pronunciation vocabulary 6.2
    Repeat the words

    Slide 4 - Tekstslide

    Please take
    your notebook in
    front of you

    Slide 5 - Tekstslide

    Comparison
    Trappen van vergelijking
    - Comparative: vergrotende trap
    - Superlative: overtreffende trap
    Box A is small.
    Box B is smaller than box A.
    Box C is the smallest of all.
    A
    B
    C

    Slide 6 - Tekstslide

    Comparison
    Woorden van 1 lettergreep of 2 lettergrepen
     (eindigend op -le, -er, -ow, -y)
    old
    older (than)
    (the) oldest
    Comparative: -er       Superlative: -est

    Slide 7 - Tekstslide

    Comparison
    1.  Bijvoeglijk naamwoord eindigt op een -e,
    gebruik dan -r en -st.
    large
    larger
    largest
    Spellingsregels:

    2.  Bijvoeglijk naamwoord eindigt op medeklinker + y,
    gebruik dan -ier en -iest.
    happy
    happier
    happiest

    Slide 8 - Tekstslide

    Comparison
    hot
    hotter
    hottest
    Spellingsregels:

    3.  Bijvoeglijk naamwoord eindigt op 1 klinker (a, e, i, o, u)
    + 1 medeklinker, medeklinker verdubbelen
    big
    bigger
    biggest

    Slide 9 - Tekstslide

    Comparison
    Woorden van 2 lettergrepen (rest) of 3 lettergrepen of meer:
    Comparative: more        Superlative: most
    expensive
    more expensive
    most expensive

    Slide 10 - Tekstslide

    Comparison
    good
    better
    best
    Uitzonderingen (uit je hoofd leren!)
    bad
    worse
    worst
    much/many
    little
    more
    less
    most
    least

    Slide 11 - Tekstslide

    Comparison
    Today it's not as windy as yesterday.
    Als je wil vergelijken, kun je ook (not) as ... as gebruiken:
    This blue car is as fast as that red car.

    Slide 12 - Tekstslide

    Marry is ...... than her sister. (pretty)

    Slide 13 - Open vraag

    This leaf is the ...... of the whole tree. (green)

    Slide 14 - Open vraag

    He really is the ...... villain ever. (bad)

    Slide 15 - Open vraag

    Is Donald Trump the ...... person in the world? (ridiculous)

    Slide 16 - Open vraag

    You are right, this is ...... than I thought. (easy)

    Slide 17 - Open vraag

    The tomato soup was ...... the mushroom soup. (delicious)

    Slide 18 - Open vraag

    I hope to do ...... than Jack. (good)

    Slide 19 - Open vraag

    Study: Vocabulary 6.2 (page 131)
    Do: Exercise 18, 19, 20, 21 (page 58-60)
    Friday 2nd of June

    Slide 20 - Tekstslide