Aan elkaar of los

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL
- je weet wanneer je twee of meer woorden los van elkaar schrijft
- je weet wanneer je twee of meer woorden aan elkaar schrijft
- je weet wat een samenstelling is

Slide 2 - Tekstslide

Bekijk de afbeelding. Waarin maakt de spatie verschil in betekenis?

Slide 3 - Tekstslide

Bekijk de afbeelding. Waarin maakt de spatie verschil in betekenis?

Slide 4 - Tekstslide

Weet jij wat een
SAMENSTELLING is?

Slide 5 - Open vraag

Elke dinsdag wordt het ___ opgehaald.
A
huis vuil
B
huisvuil

Slide 6 - Quizvraag

Bah, wat is dit ___!
A
huis vuil
B
huisvuil

Slide 7 - Quizvraag

Leon moest invallen voor zijn zieke ___.
A
team genoot
B
teamgenoot

Slide 8 - Quizvraag

Het hele ___ van de wedstrijd.
A
team genoot
B
teamgenoot

Slide 9 - Quizvraag

Aan elkaar of los

Bedoel je één ding, persoon of begrip?
Dan schrijf je één woord.

Slide 10 - Tekstslide


Wanneer schrijf je aan elkaar

en wanneer los?

Slide 11 - Tekstslide

Samengestelde aardrijkskundige namen


- Met een hoofdletter en een streepje ertussen


Noord- Holland

Zuid- Amerikaanse

Etten-Leur

Slide 12 - Tekstslide

Samengestelde zelfstandige naamwoorden


- Als twee of meer woorden samen één begrip vormen, schrijf je ze aan elkaar.

schooltas

fietsbel

projectweek

Twijfel?
Als je twijfelt, kun je soms het woord/ de woorden in het enkelvoud of in het meervoud zetten. Wat verandert er dan allemaal?<br><em>rodewijnglazen - een rodewijnglas</em><br><em>rode wijnglazen - een rood wijnglas</em>&nbsp;(ook rood verandert, dus twee woorden: bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord)
koppelteken
<p>Wanneer je&nbsp;bij een samenstelling verwarring in uitspraak krijgt, gebruik je een koppelteken.</p><p>jojo-effect</p>

Slide 13 - Tekstslide

Woorden die bestaan uit

er, daar, hier of waar + voorzetsel


- Deze woorden schrijf je aan elkaar


Het boek ligt op tafel, het ligt erop.


er op
<p>Als het voorzetsel bij een zelfstandig naamwoord of persoonlijk voornaamwoord hoort, dan schrijf je de woorden los.</p><p>Wat ligt er op tafel?</p>

Slide 14 - Tekstslide

Getallen tot en met duizend


- Deze getallen schrijf je aan elkaar


zesenzeventig

drieëntwintigduizend

zevenduizend


groter dan duizend
<p>Deze getallen schrijf je los:</p><p>vier miljoen</p><p>acht miljard</p>

Slide 15 - Tekstslide

Twee voorzetsel die achter elkaar staan


- Deze voorzetsels schrijf je aan elkaar


achteruit

bovenop

tussendoor


Slide 16 - Tekstslide

Doe oortjes in

en bekijk het volgende filmpje!

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Noteer het zn dat aan elkaar geschreven moet worden:
Waar kun je een tijd schriften bon in wisselen?

Slide 19 - Open vraag

Noteer het ww dat aan elkaar geschreven moet worden:
Waar kun je een tijd schriften bon in wisselen?

Slide 20 - Open vraag

Noteer het zn dat aan elkaar geschreven moet worden:
Simon vraagt zich af waarom hij niet af valt, want hij doet elke morgen buik spier oefeningen.

Slide 21 - Open vraag

Noteer het ww dat aan elkaar geschreven moet worden:
Simon vraagt zich af waarom hij niet af valt, want hij doet elke morgen buik spier oefeningen.

Slide 22 - Open vraag

Noteer de twee zn die aan elkaar geschreven moeten worden:
In derde wereld landen is kinder arbeid helaas heel gewoon.

Slide 23 - Open vraag

Noteer het zn dat aan elkaar geschreven moet worden:
Reiniers knie operatie is voor de tweede keer uit gesteld.

Slide 24 - Open vraag

Noteer het ww dat aan elkaar geschreven moet worden:
Reiniers knie operatie is voor de tweede keer uit gesteld.

Slide 25 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
niveau + indeling

Slide 26 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
niveau + verschil

Slide 27 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
chocolade + eitjes

Slide 28 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
cosmetica + industrie

Slide 29 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
karate + examen

Slide 30 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
karate + trap

Slide 31 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
opera + uitvoering

Slide 32 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
stage + activiteit

Slide 33 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
stage + instelling

Slide 34 - Open vraag

Schrijf de samenstelling goed op:
informatie + uitwisseling

Slide 35 - Open vraag

In het kraampje langs de weg worden streekproducten, zoals jam en ___, verkocht
A
bijen honing
B
bijenhoning

Slide 36 - Quizvraag

Van de nectar uit bloemkelken maken ____.
A
bijen honing
B
bijenhoning

Slide 37 - Quizvraag

De winkelier liet een ____ maken, nadat het oude was afgekeurd.
A
nieuw bouwplan
B
nieuwbouwplan

Slide 38 - Quizvraag

Het ____ voor het stationsgebied, gaat niet door.
A
nieuw bouwplan
B
nieuwbouwplan

Slide 39 - Quizvraag

Lativa begon te huilen als een ___, toen ze haar telefoon kwijt was.
A
klein kind
B
kleinkind

Slide 40 - Quizvraag

Mevrouw Schipper gaat elke zondag met haar ___ naar de Beekse Bergen.
A
klein kind
B
kleinkind

Slide 41 - Quizvraag

Tot 1 december kun je je___ voor de schaatswedstrijd.
A
in schrijven
B
inschrijven

Slide 42 - Quizvraag

Dit boek is geen werkboek, je mag er dus niet ___.
A
in schrijven
B
inschrijven

Slide 43 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
geirriteerd
B
ge-irriteerd
C
geïrriteerd

Slide 44 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
fotoonderschrift
B
foto-onderschrift
C
fotoönderschrift

Slide 45 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
beantwoorden
B
be-antwoorden
C
beäntwoorden

Slide 46 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
onderzeeer
B
onderzee-er
C
onderzeeër

Slide 47 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
mausoleum
B
mausole-um
C
mausoleüm

Slide 48 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
operatieassistent
B
operatie-assistent
C
operatieässistent

Slide 49 - Quizvraag

GELEERD?
- je weet wanneer je twee of meer woorden los van elkaar schrijft
- je weet wanneer je twee of meer woorden aan elkaar schrijft
- je weet wat een samenstelling is

Slide 50 - Tekstslide

Schrijf één ding op wat je deze les hebt geleerd en niet meer vergeet.

Slide 51 - Open vraag

Stel één vraag over iets dat je nog niet zo goed
hebt begrepen.

Slide 52 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 53 - Tekstslide