Instituties en representatie (Maatschappijwetenschappen havo), les 3: Terugblik quiz

BINDING · INSTITUTIES

Quiz

Terugblik: Instituties en representatie

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van twaalf vragen over politieke instituties, partijen en representativiteit.

Onderdelen in deze les

BINDING · INSTITUTIES

Quiz

Terugblik: Instituties en representatie

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Hermann Luyken / Wikimedia Commons, CC0

Welke drie zijn pijlers van de rechtsstaat in Nederland?

A

Regering, ministerie en gemeenteraad

B

Partijen, media en pressiegroepen

C

Grondwet, onafhankelijke rechters en kiesstelsel

D

Campagnes, lobbyisten en demonstraties

Goed: dat noemt de syllabus. De tweede optie bevat organisaties van de staat of partijen, de derde bevat vormen van participatie. Verwachte fout: de eerste optie, omdat dat ook instituties zijn.

Een partij voegt wensen van boeren en natuurgroepen samen. Welke functie?

A

Aggregatie

B

Articulatie

C

Mobilisatie

D

Rekrutering en selectie

Goed: aggregatie, het tegen elkaar afwegen en bij elkaar brengen van wensen en belangen. Verwachte fout: articulatie, het op de agenda zetten van één wens.

Vul in: functies van partijen

Bij articulatie zet een partij wensen op de politieke agenda, bij mobilisatie interesseert zij burgers voor deelname aan besluitvorming.

articulatie
mobilisatie
aggregatie
communicatie

Syllabus 15.1: articulatie en mobilisatie. Veelgemaakte fout: aggregatie invullen bij het eerste gat. Aggregatie is afwegen en bij elkaar brengen, niet op de agenda zetten.

Steeds minder mensen zijn lid van een partij. Wat is een gevolg?

A

Partijen kunnen wensen beter tegen elkaar afwegen

B

Kandidaten vinden voor alle functies wordt lastiger

C

Partijen krijgen minder concurrentie van media

D

Er komen minder zwevende kiezers

Goed: een dalend ledental maakt rekrutering moeilijker. De andere opties draaien de ontwikkelingen om of horen bij andere ontwikkelingen.

Wie of wat concurreert met partijen bij articulatie en communicatie?

A

De rechterlijke macht

B

De gemeenteraad

C

Het kiesstelsel

D

Media en pressiegroepen

Goed: de syllabus noemt toenemende concurrentie van media en pressiegroepen. De andere opties zijn instituties van de staat en geen concurrenten van partijen.

Welke is een politieke institutie in de zin van een organisatie?

A

De gemeenteraad

B

De opkomst bij verkiezingen

C

Volkssoevereiniteit

D

Een zwevende kiezer

Goed: de syllabus noemt de regering, een ministerie en de gemeenteraad. Opkomst, volkssoevereiniteit en zwevende kiezer zijn geen organisaties van de staat.

Hoe bepalen burgers wie macht krijgt?

Goed antwoord: via algemene verkiezingen kiezen zij de partijen of vertegenwoordigers die macht mogen krijgen, dat is volkssoevereiniteit. Verwachte fout: noemen dat de regering dat bepaalt of dat burgers via protest macht geven.

Wat betekent democratie in essentie?

A

De regering beslist wat goed is voor het volk

B

Alleen de meerderheid heeft recht op vertegenwoordiging

C

De politieke macht berust bij het volk

D

De rechter bepaalt wie er regeert

Goed: volkssoevereiniteit. De tweede optie lijkt aannemelijk omdat een democratie met meerderheden werkt, maar de belangen van de minderheid moeten juist ook gewaarborgd zijn.

Een raad stemt vaak anders dan haar kiezers willen. Wat zegt dit?

A

De representatie is daarmee opgeheven

B

De raad is niet democratisch gekozen

C

De representativiteit van de besluiten is laag

D

De raadsleden zijn geen vertegenwoordigers

Goed: besluiten en standpunten komen niet overeen met die van de vertegenwoordigden. De andere opties trekken een te verregaande conclusie: de raadsleden blijven vertegenwoordigers en kunnen gewoon gekozen zijn.

Noem twee functies van politieke partijen.

Goed antwoord: twee van rekrutering en selectie, articulatie, mobilisatie, aggregatie, communicatie. Verwachte fout: dingen noemen als wetten maken of recht spreken, die horen bij parlement en rechterlijke macht.

Welke ontwikkeling maakt afwegen van wensen lastiger voor partijen?

A

Meer zwevende kiezers

B

Meer leden bij traditionele partijen

C

Minder concurrentie van pressiegroepen

D

Meer betrokkenheid van de leden

Goed: zwevende kiezers maken partijen minder stabiel, waardoor het moeilijker wordt groepen bijeen te brengen en wensen af te wegen. De andere opties zijn het omgekeerde van de ontwikkelingen.

Wat is een kenmerk van een informele politieke institutie?

A

Het is vastgelegd in een wet of bepaling

B

Het is een organisatie van de staat

C

Het geldt alleen in een dictatuur

D

Een ongeschreven regel die uit gewoonte wordt gevolgd

Goed: informele instituties zijn ongeschreven gedragsregels uit traditie of gewoonte. Verwachte fout: de tweede optie, want die gaat over de betekenis van institutie als organisatie.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

BINDING · INSTITUTIES

Goed gedaan!

Instituties geven de politiek vaste regels, partijen verbinden kiezers en gekozenen, en representativiteit laat zien in hoeverre vertegenwoordigers echt de groep vertegenwoordigen.

Deze slide heeft geen instructies