BINDING · INSTITUTIES
Examentraining
Instituties en representatie: zo pak je examenvragen aan
BINDING · INSTITUTIES
Examentraining
Instituties en representatie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Hermann Luyken / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · INSTITUTIES
Wat ga je kunnen?
Ik kan in een casus instituties en partijfuncties herkennen, representativiteit beoordelen met gegevens, visies vergelijken en het belang van representativiteit uitleggen.
Deze slide heeft geen instructies
BINDING · INSTITUTIES
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: herkennen, beoordelen, vergelijken of verklaren?
2. Zoek: welk begrip zit in de casus of in de gegevens? Onderstreep de aanwijzing.
3. Vergelijk: zet gegevens naast elkaar, bijvoorbeeld vertegenwoordigers en bevolking.
4. Schrijf: begrip, aanwijzing uit de casus of het gegeven, conclusie. Een definitie alleen is te weinig.
Deze slide heeft geen instructies
BINDING · INSTITUTIES
Vraagtype 1: instituties en functies herkennen
Je krijgt een casus en moet een politieke institutie of een partijfunctie herkennen.
Vraag je af: gaat het om een regel (formeel of informeel) of om een organisatie?
Bij partijen: kijk wat de partij precies doet in de casus en kies de functie die daarbij past.
Syllabus 15.1 en A2: begrippen toepassen op een nieuwe context. Veelgemaakte fout: de definitie opschrijven zonder te verwijzen naar de casus. Laat leerlingen het woord uit de casus onderstrepen waaraan ze het begrip herkennen.
Partij Z zoekt en draagt kandidaten voor de gemeenteraad voor. Welke functie?
Articulatie
Mobilisatie
Communicatie
Rekrutering en selectie
Goed: rekrutering en selectie, het zoeken en voordragen van kandidaten. Verwachte fout: mobilisatie. Daarbij gaat het om het interesseren van burgers voor deelname, niet om het voordragen van kandidaten.
Rechters zijn onafhankelijk van de regering. Wat voor institutie is dit?
Een formele institutie, een pijler van de rechtsstaat
Een informele institutie, gebaseerd op gewoonte
Een politieke partij met een eigen programma
Een belangengroep die de politiek beïnvloedt
Goed: de onafhankelijke rechterlijke macht is een formele politieke institutie en een pijler van de rechtsstaat. Verwachte fout: informeel kiezen omdat rechters zich 'gewoon' onafhankelijk opstellen. Het gaat om een formele regel.
BINDING · INSTITUTIES
Vraagtype 2: representativiteit beoordelen met gegevens
Je krijgt cijfers over vertegenwoordigers en over de bevolking en moet de overeenkomst beoordelen.
Vergelijk per kenmerk: komen de percentages ongeveer overeen?
Concludeer per kenmerk: wel of geen goede afspiegeling. Een kenmerk zegt niet alles.
Syllabus 15.2 en A1.2: relatieve getallen vergelijken. De gegevens in de vragen zijn verzonnen voorbeelden. Veelgemaakte fout: één kenmerk als bewijs voor de hele raad nemen, of alleen het aantal vertegenwoordigers noemen in plaats van percentages te vergelijken.
In een gemeente is 50% van de inwoners vrouw, in de raad 32%. Wat concludeer je?
Op sekse is de raad een getrouwe afspiegeling
Vrouwen zijn in de raad oververtegenwoordigd
Op sekse is de raad geen getrouwe afspiegeling
Hieruit blijkt niets over representativiteit
Goed: de percentages verschillen, dus op dit achtergrondkenmerk is de raad geen goede afspiegeling. Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, niet oververtegenwoordigd. Wie 'niets' kiest, vergeet dat achtergrondkenmerken in de omschrijving van representativiteit staan.
Onder de 35 jaar: 40% van de inwoners, 20% van de raad. Welke conclusie klopt?
Jongeren zijn oververtegenwoordigd in de raad
Op leeftijd is de raad een perfecte afspiegeling
Jongeren zijn ondervertegenwoordigd in de raad
Leeftijd speelt geen rol bij representativiteit
Goed: 20% tegenover 40% betekent dat jongeren in de raad minder voorkomen dan in de bevolking. Verwachte fout: denken dat leeftijd geen achtergrondkenmerk is dat meetelt. Een raad kan wel jongerenbelangen vertegenwoordigen, maar dat blijkt niet uit deze gegevens.
BINDING · INSTITUTIES
Vraagtype 3: visies op representativiteit vergelijken
Je leest wat twee personen vinden en moet verklaren waarom hun oordeel verschilt.
Zoek de maatstaf van elke persoon: achtergrondkenmerken of standpunten en besluiten.
Verschillende maatstaven leiden tot een verschillend oordeel over dezelfde raad.
Syllabus eindterm 15: beredeneren hoe vanuit verschillende visies wordt geoordeeld over representativiteit binnen een specifieke context. Houd het neutraal: beide maatstaven zijn te verdedigen. Veelgemaakte fout: één van de maatstaven als de enige juiste zien.
Mo: 'Raadsleden moeten doen wat hun kiezers willen.' Welke maatstaf?
Overeenkomst tussen standpunten
Overeenkomst tussen achtergrondkenmerken
De hoogte van de opkomst bij verkiezingen
Het aantal partijen in de gemeenteraad
Goed: Mo kijkt naar de overeenkomst tussen de standpunten van vertegenwoordigers en kiezers. Verwachte fout: achtergrondkenmerken. Mo zegt niets over wie de raadsleden zijn, alleen over wat zij doen.
Waarom is afspiegeling alleen niet genoeg?
Goed antwoord: een vertegenwoordiger die lijkt op de kiezers kan toch standpunten innemen of besluiten nemen die niet overeenkomen met wat de groep wil. Representativiteit gaat ook over standpunten en besluiten. Verwachte fout: zeggen dat afspiegeling onbelangrijk is. Het is een van de maatstaven.
BINDING · INSTITUTIES
Vraagtype 4: het belang van representativiteit
Je moet beredeneren waarom representativiteit ertoe doet in een democratische rechtsstaat.
Gebruik de gedachte erachter: de belangen van het hele volk, ook van de minderheid, moeten gewaarborgd zijn.
Verwijs naar het politieke systeem: democratie met volkssoevereiniteit, of juist een dictatuur.
Syllabus 15.2 en eindterm 15. Veelgemaakte fout: alleen schrijven dat representativiteit 'eerlijk' is. Eis dat leerlingen de belangen van minderheden of het volk noemen, of het verschil met een dictatuur.
Waarom is representativiteit belangrijk in een democratie?
Alleen de grootste groep krijgt dan invloed
Alle vertegenwoordigers hebben dan dezelfde mening
Verkiezingen zijn dan niet meer nodig
Belangen van het volk, ook van minderheden, tellen mee
Goed: dat is de gedachte uit de syllabus. Verwachte fout: de eerste optie, omdat een democratie vaak met meerderheden werkt. Representativiteit gaat juist over ook de minderheid.
Telt afspiegeling in een dictatuur? Leg uit.
Goed antwoord: nee, in dictaturen wordt niet gelet op de vraag of vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking, want de politieke macht berust niet bij het volk. Verwachte fout: ja zeggen omdat er ook in een dictatuur vertegenwoordigers zijn.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Instituties en functies herkennen
Representativiteit beoordelen met gegevens
Visies op representativiteit vergelijken
Het belang van representativiteit uitleggen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.
BINDING · INSTITUTIES
Tips voor op het examen
Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het begrip aan een gegeven uit de casus.
Bij cijfers: vergelijk percentages per kenmerk en trek daarna pas een conclusie.
Noem bij een oordeel over representativiteit welke maatstaf je gebruikt: achtergrondkenmerken, standpunten of besluiten.
Lees de vraag twee keer: moet je een begrip noemen, toepassen of beoordelen?
Deze slide heeft geen instructies