Sparen en beleggen (Bedrijfseconomie havo), les 3: Terugblik quiz

Euromunten en eurobiljetten

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Quiz

Terugblik: Sparen en beleggen

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van twaalf vragen over interest, eind- en contante waarde, spaarvormen en beleggen.

Onderdelen in deze les

Euromunten en eurobiljetten

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Quiz

Terugblik: Sparen en beleggen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Avij / Wikimedia Commons, publiek domein

Wat is het koersverloop van een aandeel?

A

De interest die het aandeel elk jaar uitkeert

B

Hoe de koers van het aandeel in de loop van de tijd verandert

C

Het bedrag dat een bedrijf voor het aandeel inlegt

D

De plaats waar het aandeel verhandeld wordt

Syllabus 11.2.10, begrip koersverloop. Verwachte fout: de plaats waar verhandeld wordt, dat is de effectenbeurs.

Jelle zet € 3.000 weg tegen 2% samengesteld. Hoeveel is dat na 3 jaar?

A

€ 3.180,00

B

€ 3.060,00

C

€ 3.183,62

D

€ 183,62

Syllabus 11.2.8. Uitwerking: 1,02^3 = 1,061208; 3.000 x 1,061208 = 3.183,62. Verwachte fouten: 3.180 is enkelvoudig, 3.060 is 1 jaar, 183,62 is alleen de interest.

Anja krijgt over 2 jaar € 5.202. De bank geeft 2% samengesteld. Wat is dit bedrag nu waard?

A

€ 5.000,00

B

€ 5.306,04

C

€ 5.001,92

D

€ 4.993,92

Syllabus 11.2.8. Uitwerking: 1,02^2 = 1,0404; 5.202 : 1,0404 = 5.000. Verwachte fouten: 5.306,04 is vermenigvuldigen, 5.001,92 is delen door 1,04 (maar 1 jaar), 4.993,92 is 5.202 min 2 x 2%.

De spaarrente stijgt van 2% naar 3%. Wat klopt?

A

Een stijging van 1%, want 3 min 2 is 1

B

Een stijging van 1 procentpunt, dat is 50% meer interest

C

Een stijging van 50 procentpunt

D

Een stijging van 33 procentpunt

Syllabus A5.3, onderscheid procent en procentpunt. Het verschil is 1 procentpunt; 1 gedeeld door 2 is 50% procentuele verandering. Verwachte fout: 1% noemen.

Vul in

Een obligatie is een lening waarvoor je meestal vaste interest krijgt, een aandeel maakt je mede-eigenaar van een onderneming.

obligatie
aandeel
beleggingsfonds
deposito

Syllabus 11.2.10. Verwachte fout: de twee omdraaien.

Welke vermogenstitel heeft meestal het hoogste risico en het hoogste verwachte rendement?

A

Obligaties

B

Een deposito

C

Een spaarrekening

D

Aandelen

Syllabus 11.2.11. Een deposito en een spaarrekening zijn geen vermogenstitels. Verwachte fout: obligaties, omdat die ook beleggen zijn.

Zet de stappen voor de eindwaarde op volgorde

1

Zet het percentage om naar een decimaal

2

Tel er 1 bij op

3

Neem de macht met het aantal jaren

4

Vermenigvuldig met het beginkapitaal

Syllabus 11.2.8: 4% wordt 0,04, dan 1,04, dan 1,04^n, dan maal het beginkapitaal. Verwachte fout: eerst vermenigvuldigen met het kapitaal en dan de macht nemen.

Noem een voordeel van een beleggingsfonds.

Een goed antwoord noemt spreiding van het risico over veel titels, of dat je niet zelf titels hoeft te kiezen. Verwachte fout: zeggen dat er geen risico is.

Een bedrijf geeft obligaties uit. Wat ben jij als je er een koopt?

A

Schuldeiser, want je leent geld uit

B

Eigenaar van een deel van het bedrijf

C

Aandeelhouder met zeggenschap

D

Medebestuurder van het bedrijf

Syllabus 11.2.10. Verwachte fout: eigenaar, omdat beleggen klinkt als meedoen in het bedrijf.

Waarom biedt een bank vaak meer interest op een niet vrij opneembare spaarvorm?

A

Er is bij een deposito geen enkel risico

B

De interest is dan enkelvoudig

C

De bank kan het geld de afgesproken tijd gebruiken

D

Het geld gaat dan in aandelen

Syllabus 11.2.9. Verwachte fout: denken dat het geld in aandelen gaat. De bank beloont dat jij het geld vastzet.

Jessica zet € 1.000 3 jaar weg tegen 10% enkelvoudig, Ravi tegen 8% samengesteld. Wie heeft het meest?

A

Ravi, want samengesteld levert altijd meer op

B

Ravi, met een eindwaarde van € 1.331,00

C

Jessica, € 1.300,00 tegen € 1.259,71

D

Beiden evenveel, het verschil is 2 procentpunt

Syllabus 11.2.6-11.2.8. Uitwerking: Jessica 1.000 + 3 x 100 = 1.300. Ravi 1,08^3 = 1,259712; 1.259,71. Een hoger percentage kan samengesteld inhalen. Verwachte fout: samengesteld is altijd beter.

Wat gebeurt er op een effectenbeurs?

A

Aandelen en obligaties worden gekocht en verkocht

B

De overheid bepaalt de koers van aandelen

C

Spaarders storten geld op een rekening

D

Bedrijven vragen er een krediet aan

Syllabus 11.2.10, begrip effectenbeurs. Verwachte fout: denken dat de overheid de koers vaststelt; de koers volgt uit vraag en aanbod.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Goed gedaan!

Je kunt nu rente berekenen, eind- en contante waarde uitrekenen en spaarvormen en beleggingen vergelijken. Succes met het examen!

Deze slide heeft geen instructies