Aandelen en vreemd vermogen (Bedrijfseconomie havo), les 3: Terugblik quiz

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Quiz

Terugblik: Aandelen en vreemd vermogen

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van elf vragen over emissiekoers en beurskoers, vormen van vreemd vermogen, voor- en nadelen, risico en de voorwaarden van vermogensverschaffers.

Onderdelen in deze les

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Quiz

Terugblik: Aandelen en vreemd vermogen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Anouk koopt via de beurs een aandeel van een andere belegger. Wie krijgt het geld?

A

De onderneming die het aandeel heeft uitgegeven

B

De bank van de onderneming

C

De overige aandeelhouders van de onderneming

D

De belegger die het aandeel verkoopt

Syllabus 19.1. Bij handel op de beurs wisselt een bestaand aandeel van eigenaar. De onderneming krijgt alleen geld bij een emissie. Verwachte fout: de onderneming kiezen.

Ravi nv geeft 20.000 aandelen uit. De emissiekoers stijgt van € 10 naar € 12,50. Wat verandert er in de opbrengst?

A

€ 2,50 meer

B

€ 50.000 meer

C

€ 250.000 meer

D

€ 450.000 meer

Syllabus 19.1. Uitwerking: eerst 20.000 x 10 = 200.000, nu 20.000 x 12,50 = 250.000; verschil 50.000. Controle: 20.000 x 2,50 = 50.000. Verwachte fouten: € 2,50 is het verschil per aandeel, € 250.000 de nieuwe opbrengst, € 450.000 de som van beide.

Welke factor beïnvloedt de emissiekoers van nieuwe aandelen?

A

Het onderpand van de onderneming

B

De looptijd van een hypothecaire lening

C

De beurskoers van de bestaande aandelen

D

De hoogte van het leverancierskrediet

Syllabus 19.2. Beursklimaat, beurskoers en toekomstverwachting beïnvloeden de emissiekoers. De afleiders horen bij vreemd vermogen.

Kim Fietsen mag de bestelde fietsen 60 dagen na levering betalen. Welke vorm is dit?

A

Leverancierskrediet

B

Afnemerskrediet

C

Rekening-courantkrediet

D

Onderhandse lening

Syllabus 19.4. Uitstel van betaling door de leverancier is leverancierskrediet. Verwachte fout: afnemerskrediet, omdat Kim zelf de afnemer is. Bij afnemerskrediet betaalt de klant van Kim vooraf.

Wereld nv haalt veel geld op bij veel beleggers, met schuldbewijzen die op de beurs worden verhandeld. Welke vorm?

A

Hypothecaire lening

B

Obligatielening

C

Onderhandse lening

D

Rekening-courantkrediet

Syllabus 19.3. Een lening verdeeld in obligaties voor veel beleggers is een obligatielening. Verwachte fout: onderhandse lening, maar die heeft één geldschieter.

Wat is typisch voor een onderhandse lening?

A

Het schuldbewijs wordt op de beurs verhandeld

B

Onroerend goed is altijd het onderpand

C

De klant betaalt vooraf

D

Eén geldschieter en afspraken op maat

Syllabus 19.3. De afleiders horen bij de obligatielening, de hypothecaire lening en het afnemerskrediet.

Noem één nadeel van aandelen uitgeven.

Syllabus 19.5. Goede antwoorden: nieuwe aandeelhouders krijgen zeggenschap; het resultaat moet gedeeld worden met meer eigenaren; bij een lage koers levert de emissie weinig op. Verwachte fout: noemen dat je het geld moet terugbetalen, dat geldt voor vreemd vermogen.

Een familiebedrijf wil de zeggenschap houden en kiest daarom een lening. Welk nadeel hoort daarbij?

A

Interest en aflossing zijn verplicht

B

Nieuwe aandeelhouders beslissen mee

C

Het eigen vermogen stijgt vanzelf

D

Het resultaat moet worden gedeeld

Syllabus 19.5. Een lening geeft geen zeggenschap weg maar vraagt interest en aflossing. De afleiders horen bij aandelen uitgeven.

Een bedrijf heeft weinig eigen vermogen in verhouding tot vreemd vermogen. Wat vraagt de bank?

A

Een lager interestpercentage

B

Hetzelfde interestpercentage

C

Een hoger interestpercentage

D

Geen interest meer

Syllabus 20.1. Weinig eigen vermogen betekent groter faillissementsrisico en dus een hoger interestpercentage. Verwachte fout: denken dat het percentage vaststaat.

Een investeerder wil minstens 9% rendement, omdat het risico groot is. Welke voorwaarde is dit?

A

Solvabiliteitseis

B

Liquiditeitseis

C

Rendementseis

D

Onderpand

Syllabus 20.2. Een minimale opbrengst voor het genomen risico is de rendementseis. Verwachte fout: solvabiliteitseis, omdat het om risico gaat.

Vul in

De bank stelt als solvabiliteitseis dat het eigen vermogen groot genoeg is ten opzichte van het vreemd vermogen, zodat de lening veilig is.

solvabiliteitseis
vreemd vermogen
liquiditeitseis
onderpand

Syllabus 20.2. Verwachte fout: liquiditeitseis, die gaat over betalen op korte termijn.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Goed gedaan!

Je kunt nu het verschil tussen emissiekoers en beurskoers uitleggen, de vormen van vreemd vermogen herkennen en risico en voorwaarden van geldschieters beoordelen. Succes met het examen!

Deze slide heeft geen instructies