Wisselkoersen en EMU (Economie vwo), les 2: Examentraining

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Examentraining

Wisselkoersen en EMU: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: omrekenen met wisselkoersen, procenten en prijzen vergelijken, oorzaak en gevolg met rente en kapitaalverkeer, en muntunie en optimaal valutagebied. Vragen in examenstijl met alle gegevens in de vraag.

Onderdelen in deze les

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Examentraining

Wisselkoersen en EMU: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Milad Mosapoor / Wikimedia Commons, publiek domein

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over wisselkoersen, kapitaalverkeer, het trilemma en de EMU beantwoorden.

Deze slide heeft geen instructies

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke munt is de eenheid, welk land wordt bedoeld en wat wordt gevraagd?

  • 2. Kies: de berekening (omrekenen, omkeren, procentuele verandering) of de redeneerketen.

  • 3. Reken of redeneer: schrijf elke stap op, met de munt erbij.

  • 4. Controleer: is de richting logisch? Meer euro's per vreemde munt betekent een duurdere vreemde munt.

Deze slide heeft geen instructies

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Zwitserse franken: munten en biljetten

Vraagtype 1: omrekenen met wisselkoersen

  • Bedrag in euro = bedrag in vreemde valuta x prijs van die valuta in euro.

  • Is de prijs van de euro in die valuta gegeven? Keer dan eerst om: prijs van A in B = 1 : prijs van B in A.

  • Controleer de richting: een dure valuta levert veel euro's op.

Vaardigheden (syllabus): omrekenen met wisselkoersen, basisrekenen (A2). Vraag 1: 900 x 1,10 = 990. Vraag 2: 1 : 1,60 = 0,625. Alle koersen zijn verzonnen. Image credit: Tony Webster / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Een Zwitsers horloge kost 900 frank. 1 frank kost 1,10 euro. Wat kost het horloge in euro?

A

818,18 euro

B

901,10 euro

C

990 euro

D

810,00 euro

Bedrag in euro = 900 x 1,10 = 990. Verwachte fouten: delen door de koers (818,18), de koers optellen (901,10) of 900 x 0,90 (810).

1 euro kost 1,60 Canadese dollar. Wat is de prijs van 1 Canadese dollar in euro?

A

1,60 euro

B

0,60 euro

C

0,625 euro

D

0,16 euro

Prijs van A in B = 1 : prijs van B in A = 1 : 1,60 = 0,625. Verwachte fouten: de gegeven koers overnemen (1,60), 1,60 - 1 (0,60) of 1,60 : 10 (0,16).

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Vraagtype 2: procenten en prijzen vergelijken

  • Procentuele verandering van de koers = (nieuwe koers - oude koers) : oude koers x 100%.

  • Meer euro's per vreemde munt: appreciatie van de vreemde munt en depreciatie van de euro.

  • Vergelijk prijzen altijd in dezelfde munt: reken de buitenlandse prijs om naar euro's.

Vaardigheden (syllabus): procentuele mutatie (A2), concurrentiepositie vergelijken. Vraag 1: (0,12 - 0,10) : 0,10 = 20%. Vraag 2: 220 x 0,80 = 176 euro, goedkoper dan 200 euro.

1 Zweedse kroon kostte 0,10 euro en kost nu 0,12 euro. Wat is de appreciatie van de kroon?

A

20%

B

16,7%

C

2%

D

120%

(0,12 - 0,10) : 0,10 x 100% = 20%. Verwachte fouten: delen door de nieuwe koers (16,7%), het verschil in centen als procent (2%) of de nieuwe koers als percentage van de oude (120%).

Fiets uit het eurogebied: 200 euro. Amerikaanse fiets: 220 dollar. 1 dollar = 0,80 euro. Wat is waar?

A

Duurder: de Amerikaanse fiets kost 275 euro

B

Even duur: allebei 200 euro

C

Duurder: de Amerikaanse fiets kost 220,80 euro

D

Goedkoper: de Amerikaanse fiets kost 176 euro

220 x 0,80 = 176 euro, minder dan 200. Verwachte fouten: delen door de koers (275), de prijzen niet omrekenen (200 tegen 220) of de koers erbij optellen (220,80). Voor een Europeaan is de Amerikaanse fiets goedkoper; de concurrentiepositie van het eurogebied is hier zwak.

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Vraagtype 3: oorzaak en gevolg met rente en kapitaal

  • Werk in een keten: rente, kapitaalverkeer, vraag naar de munt, wisselkoers, saldi.

  • Let op: verandert de rente in het binnenland of in het buitenland? Dat bepaalt de richting.

  • Bij een vaste wisselkoers en vrij kapitaalverkeer moet de rente het buitenland volgen.

Vaardigheden (syllabus): strategisch inzicht, oorzaak en gevolg (A4); modelredeneren (A1). Vraag 1: de rente van Noordland moet de rente in het eurogebied volgen, anders stroomt kapitaal weg en komt de vaste koers onder druk. Vraag 2: hogere Amerikaanse rente, kapitaal gaat naar de VS, vraag naar dollars stijgt, dollar apprecieert en de euro deprecieert.

Noordland heeft een vaste koers met de euro en vrij kapitaalverkeer. De eurorente stijgt. Wat moet Noordland doen?

A

Zijn rente verlagen, om de export te stimuleren

B

Zijn rente ook verhogen, om de vaste koers te houden

C

Zijn rente gelijk houden; de koers blijft toch vast

D

Zijn rente zelf bepalen, los van de euro

Zonder renteverhoging stroomt kapitaal naar het eurogebied, de munt van Noordland wil depreciëren en de vaste koers komt onder druk. Verwachte fout: denken dat Noordland zelfstandig monetair beleid kan blijven voeren.

De Amerikaanse rente stijgt, de rente in het eurogebied blijft gelijk. Wat gebeurt er met de euro?

A

De euro deprecieert

B

De euro apprecieert

C

De euro verandert niet

D

De dollar deprecieert

Kapitaal stroomt naar de VS: de vraag naar dollars stijgt en die naar euro's daalt. De dollar apprecieert en de euro deprecieert. Verwachte fout: alleen naar de rente in het eigen gebied kijken.

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Vraagtype 4: muntunie en optimaal valutagebied

  • Voordeel van een muntunie: geen wisselkoersschommelingen tussen de landen. Nadeel: geen aanpassing via de wisselkoers.

  • Alternatieven voor de wisselkoers: prijzen, lonen, migratie en transfers.

  • Beoordeel een situatie: kan een land zich zonder eigen munt aanpassen?

Vaardigheden (syllabus): standpunten en argumenten (A3), oorzaak en gevolg (A4). Vraag 1: migratie is een van de vier aanpassingsmechanismen. Vraag 2: prijzen, lonen, migratie of transfers (één is genoeg).

Westland en Oostland delen één munt. De export van Westland stort in. Welke aanpassing past bij het optimaal valutagebied?

A

Westland laat zijn eigen munt depreciëren

B

Westland kiest zelf een lagere rente voor zijn bedrijven

C

Werklozen uit Westland vinden werk in Oostland

D

Westland past de wisselkoers van de euro aan

Zonder eigen wisselkoers is aanpassing nodig via prijzen, lonen, migratie of transfers: werklozen die verhuizen is migratie. De andere drie vragen om een eigen munt of eigen koers. Verwachte fout: depreciatie noemen.

Noem één alternatief voor de wisselkoers.

Goed antwoord: lonen, prijzen, migratie of transfers (inkomensoverdrachten). Verwachte fout: de rente of de export noemen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Omrekenen met wisselkoersen

2

Procenten en prijzen vergelijken

3

Rente en kapitaal: oorzaak en gevolg

4

Muntunie en optimaal valutagebied

Bespreek het meest gekozen vraagtype opnieuw met een eigen voorbeeld.

CONJUNCTUUR · WISSELKOERS

Tips voor op het examen

  • Noteer bij elke opgave eerst welke munt het antwoord moet zijn en welke koers gegeven is.

  • Controleer de richting van de koers: prijs van de dollar in euro of andersom?

  • Procentuele verandering: deel altijd door de beginwaarde, niet door de nieuwe waarde.

  • Trilemma: noem de twee die een land kiest en zeg welke van de drie dan afvalt.

  • Bij rente en kapitaal: schrijf de hele keten op, tot en met de saldi op de lopende rekening.

Deze slide heeft geen instructies