H2.3 - Elektrische energie

H2.3 - Elektrische energie
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H2.3 - Elektrische energie

Slide 1 - Tekstslide

Vermogen
Vermogen = de hoeveelheid energie die een apparaat per s omzet (Power)

Slide 2 - Tekstslide

Vermogen

Eenheid vermogen = W (Watt)

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Wat was de formule om ''vermogen'' mee te berekenen?

Slide 5 - Tekstslide

Vermogen berekenen
Vermogen hangt af van:
  • spanning over het apparaat (hoe meer hoe.....?)
  • stroomsterkte door het apparaat (hoe meer hoe.........?)
vermogen = spanning x stroomsterkte

Slide 6 - Tekstslide

De spanning op een batterij is 6V. De stroomsterkte door de gloeilamp is 3A. Bereken het vermogen.

Slide 7 - Tekstslide


                  
                  stroomsterkte = 
vermogen = spanning x stroomsterkte

Slide 8 - Tekstslide

Formuleblad op de toets
Spanning = vermogen   :   stroomsterkte

Slide 9 - Tekstslide

stroomsterkte = vermogen : spanning

Slide 10 - Tekstslide

Het vermogen van een strijkijzer is 800 watt. Door het strijkijzer gaat 3,5 A stroom. Hoe groot is de spanning over het strijkijzer?

Slide 11 - Tekstslide

Aan de slag 
Wat: Maken 2.3 BLZ 93 opdracht 7, 8, 12, 16 en 18
Hoe: eerste 7 min zelfstandig in stilte
Klaar: Lees heel H2.3 en maak de rest van de opdrachten. 

timer
7:00

Slide 12 - Tekstslide

Opdrachten bespreken?

Slide 13 - Tekstslide

Eenheid spanning
A
A
B
V
C
W

Slide 14 - Quizvraag

Eenheid stroomsterkte
A
A
B
V
C
W

Slide 15 - Quizvraag

Eenheid vermogen
A
A
B
V
C
W

Slide 16 - Quizvraag

Bekijk het typeplaatje en noteer het vermogen
A
2200 W
B
230 V
C
50 Hz
D
10 A

Slide 17 - Quizvraag

1 kW (kiloWatt) = .... W
A
0,001
B
0,1
C
10
D
1000

Slide 18 - Quizvraag

615000 W = ... kW
A
6150 kW
B
0,615 kW
C
615 kW
D
6,15 kW

Slide 19 - Quizvraag

Het vermogen van een wasmachine is ... dan het vermogen van een telefoon.
A
Kleiner
B
Ongeveer hetzelfde
C
Groter
D
Kan je niet weten

Slide 20 - Quizvraag

Het vermogen van een apparaat kun je uitrekenen met de formule:
A
= spanning + stroomsterkte
B
= spanning : stroomsterkte
C
= spanning × stroomsterkte
D
= spanning – stroomsterkte

Slide 21 - Quizvraag

Aan de slag 
Wat: Maak de oefentoets op blz 105
Hoe: eerste 10 min zelfstandig in stilte
Klaar: Lees heel H2.3 en maak de rest van de opdrachten. 

timer
10:00

Slide 22 - Tekstslide