Afslanken

Afslanken
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
uiterlijke verzorgingMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 22 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Afslanken

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Link

Leerdoelen
  • Je kan benoemen op wat voor manieren je overwicht kunt bepalen.
  • Je kan benoemen welke factoren een rol kunnen spelen bij overgewicht.
  • Je hebt kennis van de verschillende voedingsstoffen.
  • Je kan benoemen wat de schijf van vijf inhoud.

Slide 3 - Tekstslide

Body mass index (BMI)
  • Meest gebruikte manier om overgewicht te bepalen.
  • Kun je bepalen of het gewicht en de lengte in verhouding zijn.
  • Kwadraat lichaamslengte in meters (lengte x lengte) : gewicht = BMI
vb Dame 26 jaar, 1.70 meter lang, 59 kg 
1.70x1.70= 2.89    59:2.89 = 20.42
BMI 18 = ondergewicht                      BMI >25 = overgewicht
Nadeel = er wordt alleen gekeken naar het gewicht en niet naar de verhouding tussen spieren, botten en vetweefsel.

Slide 4 - Tekstslide

Buikomvang
Meet je net boven de heupbotjes. 
Vrouwen max 88cm bij gezond gewicht
Mannen max 102cm bij gezond gewicht

Bij een BMI >30 of een grotere buikomvang dan boven genoemd kun je de cliënt beter door verwijzen naar een arts.


Slide 5 - Tekstslide

Waist/Hip - Ratio (WHR)
Omvang van de taille delen door de omvang van de heupen. 
Hoe hoger de ratio hoe groter de kans op overgewicht.
Vb. dame 26 jaar tailleomvang= 70 cm, heupomvang = 90cm 
70:90=0.78  

Voor mannen geldt: <0,9 = laag risico, 0,9 tot 1 = matig risico, >1 = hoog risico
Voor vrouwen geldt: <0,8 = laag risico, 0,8 tot 0,9 = matig risico, >0,9 = hoog risico

Slide 6 - Tekstslide

Kenmerken diëten
Om af te vallen moet je ervoor zorgen dat je meer calorieën verbrandt dan dat je binnenkrijgt.
Om op een gezonde manier af te vallen is bewegen en minder calorieën eten belangrijk.
Belangrijke kenmerken voor gangbare diëten zijn:
  • Eiwitrijk en koolhydraatvrij.
  • In te passen in het dagelijks leven.
  • Zoveel mogelijk mee eten met de rest van het gezin.
  • Betaalbaar. 
Shakes zijn makkelijk en je hebt snel resultaat. Nadeel: je leer geen gezond eetpatroon waardoor je het jojo effect krijgt en het is duur. 

Slide 7 - Tekstslide

Factoren die een rol spelen bij overgewicht
  • Psychologische factoren: Schaamte, schuldgevoel, negatief zelfbeeld, negatief lichaamsbeeld, pestproblematiek, stress.  Gevolg overmatig eten.
  • Sociale factoren: genotfunctie, communicatiemiddel, status uitdrukken, eigen identiteit uitdrukken, machtsmiddel.
  • Maatschappelijke factoren: Aanbod (kant en klaar maaltijden), beweging  (automatisering) , sociale klasse (gezond eten is vaak duurder).

Slide 8 - Tekstslide

Voedingsstoffen
Ons lichaam heeft voedingsstoffen nodig voor groei, energie en instandhouding.
De hoeveelheid moet in verhouding staan met de inspanning die je verricht. Anders ontstaat onder of overgewicht. 
Voedingstoffen kun je verdelen in:
  • Brandstoffen: Koolhydraten en vetten.
  • Bouwstoffen: Eiwitten en water
  • Hulpstoffen: Vitaminen en mineralen.

Brandstoffen leveren energie aan het lichaam. 
Bouwstoffen zorgen voor de opbouw van lichaamscellen
Hulpstoffen spelen een ondersteunende rol bij een aantal specifieke processen.

Slide 9 - Tekstslide

Koolhydraten 
- Komt vooral voor in plantaardig voedsel zoals, aardappelen, groente en fruit, graanproducten.
- Bestaan uit de elementen Koolstof (C )Waterstof (H) zuurstof (O)
- Energiebron voor het lichaam en houdt het bloedsuikergehalte op peil. 
- Bevat voedingsvezels en deze hebben een positieve werking op de darmen.
- Koolhydraten worden in het lichaam afgebroken tot glucose. Glucose dat niet meteen nodig is als brandstof wordt door insuline omgezet in glycogeen. Dit wordt opgeslagen in de spieren en de lever en dient als reservevoorraad. 

Slide 10 - Tekstslide

Vetten
- Belangrijke energiebron.
- In ons voedingspatroon komen veel verborgen vet voor. 
- Plantaardig meestal onverzadigde vetzuren  en dierlijk verzadigde vetzuren.
Verzadigde vetzuren kunnen hart en vaatziekten veroorzaken, verhogen het cholesterol. 
Onverzadigde vetzuren helpen hart en bloedvaten in conditie te houden. Linolzuur is een belangrijk onverzadigde vetzuur. 
Functies vetten:
- Energie leveren
- Onderhuidse vet beschermt de organen tegen afkoeling.
- Vet dat om de uitlopers van zenuwcellen zit, zorgt voor elektrische isolatie en geleiding.
- Steunfunctie rondom de organen vb. houdt de nieren op hun plaats.
- Buffer tegen hardstoten  
- Voor de opbouw van celmembraan is lecithine (vetachtige stof nodig) nodig.
- Vitamine A D E en K zijn in vet oplosbaar

Slide 11 - Tekstslide

Eiwitten
- Bouwstof voor de lichaamscellen. Zorgen voor de opbouw, groei en instandhouding van ons lichaam.
- Opgebouwd uit 5 verschillende elementen  Koolstof (C), Waterstof (H),  Zuurstof (O), Stikstof (N), Zwavel (S).
- Zijn verbindingen van aminozuren.
- Eiwitten vooral in vlees en zuivelproducten. Er zijn ook plantaardige eiwitten zoals soja, graaneiwit en eiwit uit peulvruchten.
- Assimileren: na de vertering van eiwitten kan uit de vrijgekomen aminozuren eigen specifieke eiwitten worden opgebouwd.
- In moeilijke omstandigheden kan het lichaam eiwit als brandstof gebruiken.

Slide 12 - Tekstslide

Water
- Het lichaam heeft water nodig voor de cel opbouw. Cytoplasma vloeistof in de cel bestaat voor 75% uit water.
Functies water:
- Oplosmiddel 
- Transsportmiddel, Bloedplasma bestaat voor een groot deel uit water.
- Regeling van de lichaamstemperatuur. 
- Invloed op de huidspanning. Lichaam bestaat voor +_ 70% uit water, hoe ouder hoe lager het vochtgehalte)

Slide 13 - Tekstslide

Vitamines
Betekent letterlijk levensstof.
- Nodig ter voorkoming van ziekten
- Hypovitaminose =  een tekort aan vitaminen
- Hypervitaminose = een overschot aan vitaminen
- Lichaam geen vitamines maken maar kan wel pro- vitaminen maken, stoffen waaruit vitaminen worden gevormd. vb. caroteen waaruit vitamine C wordt gevormd. Ergosterol waaruit in de huid  vitamine D wordt gevormd.

Twee soorten vitamines:
wateroplosbaar: B en C komen vooral voor in groente en fruit.
Vet oplosbaar: A, D, E en K komen vooral voor in vetten en oliën.

Slide 14 - Tekstslide

Mineralen
 Mineralen heb je nodig voor de opbouw van het lichaam. Sommigen zijn belangrijk voor de aanmaak van hormonen en enzymen.
- Kleine hoeveelheid mineralen noemen we spoorelementen.
Soorten:
Calcium: opbouw beenderen en gebit. Melk/melkproducten
Fosfor: samen met calcium stevigheid botten. Dierlijke producten zoals vis, vlees, eieren, melk.
Fluor: opbouw tandglazuur beschermt tegen bederf. Drinkwater
Jodium: goede werking schildklier. Zeevis, drinkwater en gejodeerd zout.
Ijzer: aanmaak rode bloedkleurstof hemoglobine. Vlees, vis, volkorenbrood.
Zwavel: bestanddeel aminozuren. Uien, knoflook, prei, brood, kaas, eieren
Natrium : vochtvasthoudend. (zout in kaas, brood en vleeswaren
Kalium: vochtuitdrijvend. Melk, aardappelen, groeten, vruchten en bouillon

Slide 15 - Tekstslide

Stofwisseling
Lichaam zet stoffen om in lichaamseigen stoffen. Het zorgt er ook voor dat je aankomt of afvalt.
4 systemen maken stofwisseling mogelijk.
Spijsvertering: verteerd de voedingsmiddelen voordat ze in het bloed kunnen worden opgenomen.
Ademhalingssysteem: neemt zuurstof op die nodig is voor verbranding.
Bloed: vervoert de voedingsstoffen die  nodig zijn voor verbranding naar de cellen en voert de afvalstoffen af die hierbij vrijkomen.
Uitscheiding: longen, nieren en zweetklieren scheiden afvalstoffen af.
Assimilatie: ook wel anabolisme genoemd. Dit proces zorgt voor de opbouw van het lichaam
Dissimilatie: ook wel katabolisme genoemd. Dit proces zorgt voor verbranding.

Slide 16 - Tekstslide

Energie
De energie die vrij komt bij verbranding druk je uit in kilocalorieën (Kcal) of in kilojoules (kJ)
1kcal is de hoeveelheid warmte die nodig is om 1 liter water 1 graad Celsius te laten stijgen.
1kJ is de hoeveelheid energie die nodig is om in één seconde een massa van één kilo te verplaatsen 

1 gram vet is 9 kcal of 38kJ
1 gram eiwit is 4kcal of 17kJ
1 gram koolhydraat is 4kcal of 17kJ
1 gram alcohol is 7kcal of 29kJ

Slide 17 - Tekstslide

Schijf van vijf
Vijf groepen voedingsmiddelen: 
- Groenten en fruit. Vitamines, mineralen , vezels, bio actieve stoffen
- Brood, granen, aardappelen, rijst en peulvruchten. Koolhydraten, eiwit, vezels, B-vitamine en mineralen zoals ijzer.
- Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers. Eiwit, mineralen zoals ijzer en calcium, B- vitamine en visvetzuren.
- Vetten en oliën. Vitamine A, D en E en essentiële vetzuren.
- Dranken. Water



Slide 18 - Tekstslide

5 regels 
  1. Eet  gevarieerd
  2. Eet niet teveel en beweeg voldoende
  3. Eet minder verzadigd vet
  4. Eet veel groente, fruit en brood
  5. Eet veilig

Slide 19 - Tekstslide

Behandelmethoden
  • Kinesie: spiercontraherend apparaat om de spieren te prikkelen. Stimuleren van de doorbloeding waardoor afvalstoffen beter kunnen worden afgevoerd. Panniculose verminderen en de huid verstevigen
Contra-indicatie: pacemaker, epilepsie, metalen plaat pin, zwanger, hartklachten, huidziekte, beschadigde huid, spataderen, ontstekingen, vaatklachten.
  • Wikkelmethode: zorg je voor afbraak van overtollig vet, bestrijding van cellulitis, een betere doorbloeding en het verwijderen van gifstoffen. 
Indicatie: verslapte huid na vermageringskuur, panniculose, na zwangerschap.
Contra-indicatie: Hoge bloeddruk, zwangerschap, hart en vaatziekten, huidziekten, spataders en hyperfunctie van de schildklier.

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht 3 
Maken & Bespreken

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link