Prognoses en begrotingen

Prognoses en begrotingen
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Prognoses en begrotingen

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • voorkennis testen
  • uitleg nieuwe kennis H7
  • aan de slag met de sommen 

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
  1. Aan het einde van deze les kan ik:

  1. een prognose berekenen voor omzet, inkoopwaarde en kosten op basis van een verwachte procentuele stijging of daling;
  2. de verwachte brutowinst en nettowinst berekenen aan de hand van een prognose;
  3. een prijs-, hoeveelheid- en waarde-indexcijfer berekenen ten opzichte van een aangegeven basisjaar;
  4. indexcijfers interpreteren en ermee rekenen, bijvoorbeeld bepalen hoeveel procent een prijs, hoeveelheid of waarde is gestegen of gedaald.

Slide 3 - Tekstslide

Voorkennis!

Slide 4 - Tekstslide

Een winkel had afgelopen maand:

Omzet: €80.000
Inkoopwaarde omzet: €52.000
Exploitatiekosten: €18.000

Vraag: hoeveel bedraagt de nettowinst?
A
€10.000
B
€28.000
C
€62.000
D
€132.000

Slide 5 - Quizvraag

Een sneakerwinkel heeft de volgende gegevens over september:

Beginvoorraad: €32.000
Ingekocht en geleverd: €48.000
Retour gestuurd naar leverancier: €3.000
Eindvoorraad: €21.000

Bereken de inkoopwaarde van de omzet.
A
€56.000
B
€59.000
C
€74.000
D
€80.000

Slide 6 - Quizvraag

Een kledingwinkel heeft over de maand augustus de volgende gegevens:
Omzet: €96.000
Beginvoorraad: €38.000
Ingekocht en geleverd: €64.000
Retour naar leverancier: €4.000
Eindvoorraad: €30.000
Bereken: De inkoopwaarde van de omzet en de brutowinst.

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Tekstslide

Van terugkijken naar vooruitkijken
Tot nu toe rekenden we vooral met cijfers die al bekend zijn.
Maar een ondernemer wil ook weten:

Wat verwacht ik volgend jaar?
Een berekening van wat je verwacht dat er in de toekomst gaat gebeuren, noemen we een:

PROGNOSE

Vorig jaar omzet: €200.000
Verwachte stijging: 5%

Verwachte omzet volgend jaar:

€200.000 × 1,05 = €210.000

Slide 9 - Tekstslide

Niet alles verandert hetzelfde!
Een ondernemer verwacht:

omzet +5%
inkoopwaarde +3%
exploitatiekosten +2%

Je mag dus niet zomaar alles met hetzelfde percentage verhogen.



Slide 10 - Tekstslide

Indexcijfers
Wat is een indexcijfer?

Een indexcijfer laat zien hoe een getal zich heeft ontwikkeld ten opzichte van een basisperiode.
De basis krijgt altijd:
100
2025 omzet = €200.000 → index 100
2026 omzet = €220.000.

Dat is 10% hoger.
Dus:
2026 → index 110
💡 Index 100 = uitgangspunt
💡 Index 110 = 10% hoger
💡 Index 95 = 5% lager

Slide 11 - Tekstslide

Januari heeft indexcijfer 100.

In april is het indexcijfer 115.

Wat betekent dit?
A
De omzet is €115
B
De omzet is 115% gestegen
C
De omzet is 15% gestegen
D
De omzet is 15% gedaald

Slide 12 - Quizvraag

Indexcijfer berekenen
De formule:

nieuw getal ÷ basisgetal × 100 = indexcijfer

Voorbeeld:
Basisjaar is 2025
Omzet 2025: €80.000
Omzet 2026: €92.000

€92.000 ÷ €80.000 × 100 = 115

Dus de omzet is met 15% gestegen.

Slide 13 - Tekstslide

En bij een daling?
Januari omzet: €30.000 → index 100
Februari omzet: €27.000

Bereken het indexcijfer.

€27.000 ÷ €30.000 × 100 = 90

Wat betekent index 90?

De omzet is 10% lager dan in de basisperiode.

Slide 14 - Tekstslide

Andersom rekenen
2025: Omzet = €150.000
Index = 100

2026: Index = 108

Hoeveel omzet hoort daarbij?
108% van €150.000:
€150.000 ÷ 100 × 108 = €162.000

Dus met indexcijfers moeten ze uiteindelijk twee kanten op kunnen:

Bedrag → indexcijfer
en
Indexcijfer → bedrag

Slide 15 - Tekstslide

Prijs, hoeveelheid en waarde
Prijsindexcijfer
→ verandering van de prijs

Hoeveelheidsindexcijfer
→ verandering van de afzet/aantallen

Waarde-indexcijfer
→ verandering van de totale waarde/omzet

Slide 16 - Tekstslide

Een kledingwinkel vergelijkt de verkoopprijs van een spijkerbroek.

Basisjaar 2024 = 100

Prijs 2024: €80
Prijs 2026: €92

Wat is het prijsindexcijfer van 2026?
A
112
B
115
C
120
D
92

Slide 17 - Quizvraag

Een schoenenwinkel verkocht:

Basisjaar 2023 = 100

2023: 2.400 paar schoenen
2026: 2.700 paar schoenen

Wat is het hoeveelheidsindexcijfer van 2026?
A
88,9
B
110
C
125
D
112,5

Slide 18 - Quizvraag

Een sportwinkel verkocht in het basisjaar 2024 5.000 artikelen.

2024 = index 100

In 2026 is het hoeveelheidsindexcijfer 116.

Hoeveel artikelen zijn er in 2026 verkocht?
A
5.116
B
5.500
C
5.800
D
6.160

Slide 19 - Quizvraag

Een telefoon kostte in het basisjaar 2023 €600.

In 2026 is het prijsindexcijfer 108.

De winkel verkoopt in 2026 1.250 telefoons.

Wat is de omzet in 2026?
A
€750.000
B
€780.000
C
€810.000
D
€875.000

Slide 20 - Quizvraag

Aan de slag!
Maak de volgende sommen:


7.02 / 7.04 / 7.05 / 7.06 / 7.10 / 7.11 / 7.15

Slide 21 - Tekstslide