V2 Grammatica H20 en H21 2

Nederlands
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  1. Dagopening
  2. 10 minuten lezen
  3. Nakijken opdr 6 H20
  4. Herhalen koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde
  5. H21 Voornaamwoorden
  6. Aan het werk met opdrachten H21

Slide 2 - Tekstslide

Lezen
Boek 4 lezen

Slide 3 - Tekstslide

Doel van deze les
Koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde herhalen
Je leert voornaamwoorden herkennen in een zin.

Slide 4 - Tekstslide

Wat zijn de drie belangrijkste koppelwerkwoorden

Slide 5 - Woordweb

Een zelfstandig werkwoord hoort bij:
A
WWG
B
NWG

Slide 6 - Quizvraag

Een koppelwerkwoord hoort bij een
A
WWG
B
NWG

Slide 7 - Quizvraag

Welke onderdelen bevat een NWG?

Slide 8 - Open vraag

Je kunt Nederlandse zinnen verdelen in twee groepen:
Zinnen die gaan over iets doen (een handeling)
Zinnen die gaan over iets zijn (een toestand)

Wanneer heb je te maken met welk gezegde?

iets doen


iets zijn 
werkwoordelijk gezegde (WWG)
naamwoordelijk gezegde (NWG)

Slide 9 - Sleepvraag

Waren de thuisblijvers nieuwsgierig naar de uitslag van de basketbalwedstrijd?
lijdend voorwerp
onderwerp
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
ander zinsdeel
naar de uitslag van de basketbalwedstrijd
waren
de thuisblijvers
waren nieuwsgierig

Slide 10 - Sleepvraag

De directeur van de Europese school heeft vorig jaar de diploma`s uitgereikt.
lijdend voorwerp
onderwerp
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
persoonsvorm
heeft
De directeur van de Europese school
heeft uitgereikt
de diploma's

Slide 11 - Sleepvraag

Lees de zin en ontdek wat er gezegd wordt. Is er sprake van een werkwoordelijk gezegde of van een naamwoordelijk gezegde?
werkwoordelijk gezegde
(het onderwerp doet iets)
naamwoordelijk gezegde
(het onderwerp is iets)
Het openbaar vervoer is voor studenten ideaal. 
Jouw zelfgemaakte chocoladetaart is heel lekker geworden!
Met zijn optreden belooft de zanger zijn publiek een geweldige avond.
Nederlandse dj's zijn de laatste jaren populair.
Met de patiënt schijnt alles in orde te zijn.
De jongens konden niet lachen om de flauwe grappen van de docent.

Slide 12 - Sleepvraag

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
1
2
3
4
5
6

Slide 13 - Sleepvraag

Waren de thuisblijvers nieuwsgierig naar de uitslag van de basketbalwedstrijd?
lijdend voorwerp
onderwerp
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
voorzetselvoorwerp
naar de uitslag van de basketbalwedstrijd
de thuisblijvers
waren [nieuwsgierig]

Slide 14 - Sleepvraag

Lees de zin en ontdek wat er gezegd wordt. Is er sprake van een werkwoordelijk gezegde of van een naamwoordelijk gezegde?
werkwoordelijk gezegde
(het onderwerp doet iets)
naamwoordelijk gezegde
(het onderwerp is iets)
Hoewel mijn klasgenoten vele netflixseries bingewatchten, heb ik in diezelfde periode een stapel boeken gelezen. 
Een belezen persoon schijnt gelukkiger en empathischer te zijn.
Lezen is vooral ontspannend en leuk.
Docenten vertellen graag over de andere voordelen
Je moet vooral een boek kiezen dat bij jou en je interesses past.
Als je veel leesmeters maakt, zal je merken dat lezen steeds gemakkelijker gaat.

Slide 15 - Sleepvraag

Benoem het gezegde (WWG of NWG) van de volgende zin:
Gisteren is mijn auto weggesleept.

Slide 16 - Open vraag

Benoem het gezegde (WWG of NWG) van de volgende zin:
Deze opdracht lijkt heel erg moeilijk te zijn.

Slide 17 - Open vraag

Lesdoel 1 behaald?
Ik kan het koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde herkennen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 18 - Poll

Nog veel moeite met het kww en NWG? Oefen dan met drillsters 3 en 4 van H20



Leren blz 82 en 84. Drillsters 3 en 4 van H20 oefenen. Leesboek 4 kiezen.


Slide 19 - Tekstslide

Voornaamwoorden
Je krijgt nu een powerpoint te zien met uitleg over de voornaamwoorden.

Slide 20 - Tekstslide

Ik heb dat van Madelon geleend.

Het persoonlijk voornaamwoord is ...
A
ik
B
dat
C
Madelon

Slide 21 - Quizvraag

Zij kamt haar haar voor de spiegel.

Het bezittelijk voornaamwoord is / de bezittelijke voornaamwoorden zijn...
A
Zij
B
(1e) haar
C
Zij, (1e) haar, (2e) haar
D
(2e) haar

Slide 22 - Quizvraag

Wat is een zin met een betrekkelijk voornaamwoord?
A
Die jongen daar is mijn neefje
B
De jongen, die daar loopt, is mijn neefje
C
Hoe heet die jongen?
D
Dat jongetje is mijn neefje

Slide 23 - Quizvraag

Welke van de onderstaande zinnen bevat een aanwijzend vnw
A
Wie heeft mijn pen gezien?
B
Daar woon ik!
C
Waarom doe jij niet mee?
D
De jongen die daar loopt, is mijn broer.

Slide 24 - Quizvraag

Aanwijzend voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord
De voetballer die bij Ajax speelt.
Deze jas is van mij.
Dat hondje is lief.
Een meisje dat ik ken.

Slide 25 - Sleepvraag

persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Ik
heb
jouw
pen
niet gepakt.
Zij
geeft
zijn
kaartje
aan
ons.
Heb
jij
hem
gezien
op
ons
feestje.

Slide 26 - Sleepvraag


Wat zijn / doen betrekkelijke voornaamwoorden?
A
Verwijzen naar een eerder genoemd woord in de zin.
B
Woorden waar je de, het of een voor kan zetten.
C
Alle werkwoorden in een zin.
D
Ze geven informatie over het zelfstandig naamwoord.

Slide 27 - Quizvraag

Wat is een zin met een betrekkelijk voornaamwoord?
A
Die jongen daar is mijn neefje.
B
De jongen, die daar loopt, is mijn neefje
C
Hoe heet die jongen?
D
Dat jongetje is mijn neefje.

Slide 28 - Quizvraag

Vragen?

Slide 29 - Tekstslide

Aan het werk
Bekijk achterin je boek het in overzicht Taalkundig ontleden blz 188 en 189 over de voornaamwoorden. Daarna maak je opdr 3 van blz 87. Schrijf alle voornaamwoorden (persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend en betrekkelijk) op en benoem ze. Ben je klaar? je kunt gaan oefenen met de drillsters van H20 of nog even gaan lezen in je leesboek.
Huiswerk
*Leren blz 82 en blz 84 en afmaken H21 opdr 3
* Drillsters 3 en 4 oefenen van H20


Slide 30 - Tekstslide