Hfst 6 en 7 Bloed en CVRM

CVRM staat voor
1 / 27
volgende
Slide 1: Open vraag
GMKMBOStudiejaar 1,3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

CVRM staat voor

Slide 1 - Open vraag

medische term voor hartfalen
A
decompensatio cordis
B
decompensatio hartfalen
C
angina pectoris
D
hoge bloeddruk

Slide 2 - Quizvraag

hartfalen heeft te maken met
A
de bloedvaten
B
de hartspier

Slide 3 - Quizvraag

versneld hartritme is een symptoom bij hartfalen
A
goed
B
fout

Slide 4 - Quizvraag

bij hartfalen worden hartglycosiden voorgeschreven
A
goed
B
fout

Slide 5 - Quizvraag

de nieren produceren het hormoon trombine
A
goed
B
fout

Slide 6 - Quizvraag

de nieren produceren het hormoon renine
A
goed
B
fout

Slide 7 - Quizvraag

diuretica zijn plaspillen
A
goed
B
fout

Slide 8 - Quizvraag

diuretica worden voorgeschreven bij hoge bloeddruk
A
goed
B
fout

Slide 9 - Quizvraag

kies een kaliumsparende diuretica
A
furosemide
B
bumetanide
C
triamtereen
D
natrium

Slide 10 - Quizvraag

hartritme stoornissen is een
A
stoornis in de bloeddruk
B
stoornis in de prikkelgeleiding

Slide 11 - Quizvraag

bij welke groep hoort verapamil
A
beta blokker
B
ace remmers
C
diuretica
D
calciumantagonisten

Slide 12 - Quizvraag

angina pectoris is hartkramp
A
goed
B
fout

Slide 13 - Quizvraag

zuurstof gebrek in de hartspier
A
hartfalen
B
angina pectoris
C
hoge bloeddruk
D
hartritme stoornis

Slide 14 - Quizvraag

spray onder de tong is
A
parenteraal
B
sublinguaal
C
oraal
D
subcutaan

Slide 15 - Quizvraag

hypertensie is
A
hartkramp
B
hoge bloeddruk

Slide 16 - Quizvraag

slagaderverkalking is een oorzaak bij hoge bloeddruk
A
goed
B
fout

Slide 17 - Quizvraag

welke 2 spiegels worden vaak gemeten bij bloeddruk patienten
A
natrium, nierfunctie
B
kalium, ijzer

Slide 18 - Quizvraag

kies een ace remmer
A
metorpolol
B
enalapril
C
spironolacton
D
amlodipine

Slide 19 - Quizvraag

kies een betablokker
A
fosinopril
B
bumetanide
C
atenolol
D
triamtereen

Slide 20 - Quizvraag

veneuze trombose =
A
trombose in de ader
B
trombose in de slagader

Slide 21 - Quizvraag

arteriele trombose =
A
trombose in de ader
B
trombose in de slagader

Slide 22 - Quizvraag

bloedstolling is het verdedigingsmechanisme
A
goed
B
fout

Slide 23 - Quizvraag

protrombine wordt door de lever aangemaakt
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quizvraag

protrombine wordt omgezet in fibrine
A
goed
B
fout

Slide 25 - Quizvraag

protrombine wordt omgezet in trombine
A
goed
B
fout

Slide 26 - Quizvraag

kies een trombolytica
A
nadroparine
B
acenocoumarol
C
clopidogrel
D
alteplase

Slide 27 - Quizvraag