2F H7 Kommagetallen (AI)

Slim rekenen met getallen

1 / 34
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slim rekenen met getallen

Wat weet je al over breuken en kommagetallen?

Aan het eind van deze les kun je:

werken met breuken en kommagetallen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en grote getallen begrijpen en toepassen in de praktijk.

Hoofddoel 1: Breuken en kommagetallen

Je leert breuken en kommagetallen omzetten en afronden. Dit komt vaak voor, bijvoorbeeld bij geld of meten.

1.1. Breuk omzetten naar kommagetal

Een breuk zoals 1/2 schrijf je als kommagetal: 1 : 2 = 0,5.

Opgave 1: Breuk naar kommagetal

Zet 3/4 om in een kommagetal.

1.2. Kommagetal omzetten naar breuk

Een kommagetal zoals 0,25 schrijf je als breuk: 0,25 = 25/100 = 1/4.

Opgave 2: Kommagetal naar breuk

Schrijf 0,6 als een breuk.

1.3. Kommagetal afronden (geheel getal)

Rond 2,8 af op een heel getal: dat is 3. Handig bij tellen of schatten.

Opgave 3: Afronden

Rond 7,2 af op een heel getal.

1.4. Afronden op decimalen

Rond 1,456 af op twee decimalen: dat is 1,46. Belangrijk bij geld en meten.

Opgave 4: Afronden decimalen

Rond 3,789 af op één decimaal.

1.5. Geldbedrag afronden

Bij betalen in de winkel wordt afgerond op 5 eurocent. Bijvoorbeeld: €2,67 wordt €2,65.

Opgave 5: Geldbedrag afronden

Rond €4,88 af op 5 cent.

Hoofddoel 2: Optellen en aftrekken

Je leert kommagetallen optellen en aftrekken. Dit heb je nodig bij geld en meten.

2.1. Kommagetallen optellen

Rekenvoorbeeld: 1,35 + 2,50 = 3,85. Zet de komma onder elkaar.

Opgave 6: Optellen

Bereken: 4,2 + 5,65.

2.2. Kommagetallen aftrekken

Rekenvoorbeeld: 7,5 - 2,3 = 5,2. Zet ook hier de komma goed.

Opgave 7: Aftrekken

Bereken: 9,6 - 3,8.

Hoofddoel 3: Vermenigvuldigen en delen

Met 10, 100 en 1000 vermenigvuldigen of delen doe je door de komma te verschuiven.

3.1. Voorbeeld: vermenigvuldigen

2,5 × 10 = 25. De komma schuift één plek naar rechts.

Opgave 8: Vermenigvuldigen

Bereken: 7,3 × 100.

3.2. Voorbeeld: delen

89,0 : 10 = 8,9. De komma schuift één plek naar links.

Opgave 9: Delen

Bereken: 146,7 : 100.

Hoofddoel 4: Grote getallen

Leer duizendtallen, miljoenen, miljarden herkennen en omrekenen. Handig bij nieuws en economie.

4.1. Omrekenen

1 miljoen = 1.000.000, 1 miljard = 1.000.000.000. 2 miljoen is dus 2.000.000.

Opgave 10: Omrekenen grote getallen

Hoeveel is 3 miljard in getallen geschreven?

4.2. Rekenen met grote getallen

Bereken bijvoorbeeld: 5.000.000 + 3.500.000 = 8.500.000.

Opgave 11: Grote getallen optellen

Bereken: 1.200.000 + 950.000.

Toepassen in de praktijk

Breuken, kommagetallen en grote getallen kom je tegen bij geld, boodschappen doen, werken en nieuws.

Terugblik & reflectie

Wat vond je moeilijk? Wanneer zou jij deze rekenvaardigheden gebruiken in het dagelijks leven?

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.