1F/2F Thema 2 H12 Taalverzorging

Thema 2 H12 Spelling en grammatica
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Thema 2 H12 Spelling en grammatica

Slide 1 - Tekstslide

Doelstellingen
- klinkers en medeklinkers
- lettergrepen
- klankzuivere en klankambigue woorden
- enkelvoud en meervoud
- verkleinwoorden

Slide 2 - Tekstslide

Doel: je kunt letters in alfabetische volgorde zetten.
Opdracht
Welke letter komt (direct) voor de letter?
Welke letter komt (direct) na de letter?

Slide 3 - Tekstslide

Letters
Het alfabet: 26 letters
Klinkers: a, e, i, o, u, y
Medeklinkers: b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, 
x, z
Tweeklanken: ou, au, eu, ie, ui, oe, ei, ij, aa, oo, ee, uu

Slide 4 - Tekstslide

Maken
Maak de opdracht 12.01 
blz. 212

Slide 5 - Tekstslide

Klanken en lettergrepen
Klanken: zijn verschillende geluiden die je gebruikt om het woord uit te spreken
water: w - a - t - e - r
Lettergrepen: zijn klankgroepen waarin je het woord kunt verdelen
water: wa - ter

Slide 6 - Tekstslide

Regels verdeling lettergrepen
Regel 1: twee klinkers worden gescheiden door één medeklinker. 
Oplossing: de medeklinker is het begin van de tweede lettergreep. 
roepen: roe - pen
praten: pra - ten   (je hoort hier 2 klinkers, namelijk aa)
deuren: deu - ren

Slide 7 - Tekstslide

Regels verdeling lettergrepen
Regel 2: twee klinkers worden gescheiden door meerdere medeklinkers.   
Oplossing: de eerste lettergreep krijgt één medeklinker, de tweede lettergreep de rest.  
kaarten: kaar - ten                      zingen: zin - gen
rennen: ren - nen                        barsten: bar - sten

Slide 8 - Tekstslide

Regels verdeling lettergrepen
Regel 3: een woord bestaat uit een combinatie van twee woorden.  
Oplossing: we verdelen het woord op de grenzen van de oorspronkelijke (originele) woorden. De oorspronkelijke woorden blijven dus intact.  
waarom: waar - om                 (niet waa-rom)                    
broodoven: brood - o - ven    (niet broo-do-ven)
huurauto: huur - au - to          (niet huu - rau - to)

Slide 9 - Tekstslide

Regels verdeling lettergrepen
Regel 4: de tweede (of derde, vierde...) lettergreep begint met een combinatie van medeklinkers die we moeilijk kunnen uitspreken.   
Oplossing: we verplaatsen een of meerdere medeklinkers naaar de eerste lettergreep.  
koortsig: koort - sig                    ambtenaar: amb - te - naar
erwten: erw - ten                       

Slide 10 - Tekstslide

Regels verdeling lettergrepen
Waarom leren? Dit is handig wanneer je een tekst schrijft en het hele woord niet op één regel past. Je mag dan niet zomaar ergens het woord afbreken en op de volgende regel beginnen. Je houdt dan ook rekening met de lettergrepen.   
Afbreekteken
hy-              ide-
ena             aal

Slide 11 - Tekstslide

Hoeveel lettergrepen heeft het woord

lettergrepen?
A
3
B
5
C
4
D
6

Slide 12 - Quizvraag

Vraag:
Welk woord is FOUT in lettergrepen verdeeld?
A
be-we-gen
B
be-val-len
C
open-baar
D
ont-van-gen

Slide 13 - Quizvraag

3 lettergrepen
A
telefoon
B
auto
C
kar
D
fiets

Slide 14 - Quizvraag

4 lettergrepen:
A
broodtrommel
B
kaas
C
sinaasappel
D
banaan

Slide 15 - Quizvraag

Wat is een lettergreep?
A
Een deel van een woord
B
Een letter
C
Een deel van een zin
D
Een hoofdletter

Slide 16 - Quizvraag

1 lettergreep
A
koek
B
koekje
C
taart
D
gebak

Slide 17 - Quizvraag

Het woord 'rid-der-har-nas' is in
lettergrepen verdeeld.

Zijn de lettergrepen goed ingedeeld?


A
nee
B
ja

Slide 18 - Quizvraag

4 lettergrepen
A
vliegtuig
B
informatie
C
vrachtwagen
D
boot

Slide 19 - Quizvraag

1 lettergreep
A
auto
B
bootje
C
trein
D
bus

Slide 20 - Quizvraag

lettergrepen
Welk woord is FOUT in lettergrepen verdeeld?
A
spe-len
B
ple-zier
C
ver-jaardag
D
van-daag

Slide 21 - Quizvraag

lettergrepen
Welk woord is FOUT in lettergrepen verdeeld?
A
bad-kam-er
B
ver-die-ping
C
wer-ken
D
re-ge-nen

Slide 22 - Quizvraag

Maken
Maak de opdrachten 12.02 t/m 12.03
blz. 214-215

Slide 23 - Tekstslide

Spelling op klanken
Klankzuivere woorden: woorden waarbij de klanken heel duidelijk zijn, zodat je ze eigenlijk niet verkeerd kan spellen.  

Eenvoudige voorbeelden:   
raam - koe - loop - tas - zin - ren - bar 

Slide 24 - Tekstslide

Spelling op klanken
klankambigue woorden: woorden waarbij de klanken niet zo duidelijk zijn. Deze woorden worden daardoor vaker fout gespeld.
(ambigue = dubbelzinnig)  
Voorbeelden:   
bodem - baai - haard -  enige - vlakbij - prijzen
Dus niet klankzuiver, want je hoort: dodum, baaj, haart, enigu, flakbij, prijsen

Slide 25 - Tekstslide

Welk woord is klankzuiver?
A
knakworst
B
wafel
C
frietje
D
broden

Slide 26 - Quizvraag

Welk woord is niet klankzuiver?
A
boom
B
kat
C
haai
D
hik

Slide 27 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een klankzuiver woord?  
A
Hooi
B
Boos
C
Leeuw

Slide 28 - Quizvraag

Wat is een klankzuiver woord?
A
woord met 1 lettergreep
B
een woord die je precies spelt zoals je het uitspreekt
C
woord met een eenvoudige betekenis
D
woord met meer klankgroepen

Slide 29 - Quizvraag

Wat is een klankzuiver woord?
A
baard
B
doos
C
sneeuw
D
eigenlijk

Slide 30 - Quizvraag

Maken
Maak de opdrachten 12.04
blz. 216

Slide 31 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
zelfstandig naamwoorden: de meesten hebben een enkelvoud en een meervoud. Sommige ZN hebben alleen een meervoud (hersens/ hersenen) en anderen hebben alleen een enkelvoud (vlees, goud, muziek, zand, politie).   
De meervoudsuitgangen van de meeste ZN zijn:   
-(e)n   (paarden, boeken, typen)
-s        (varkens, dekens, bekers)
-eren  (lammeren, eieren, kinderen)

Slide 32 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Soms moet je de laatste letter van het enkelvoud verdubbelen, anders krijg je een verkeerde uitspraak:   
- pak  pakken
- les  lessen
- pet  petten
Uitzonderingen: als bij een woord de klemtoon op de eerste lettergreep valt, is er geen verdubbeling. Vb. havik - haviken / sirene - sirenes / computer - computers

Slide 33 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Soms moet je een klinker weglaten:   
- paal  palen
- beer  beren
- boom  bomen

Slide 34 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Van veel woorden eindigt het meervoud op -s. Meestal komt de -s direct achter het zelfstandig naamwoord, dus zonder apostrof (-'s):   
- café  cafés 
- sirene  sirenes
- computer  computers

Slide 35 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Je plaatst een apostrof, dus -'s als dat nodig is voor de uitspraak. Dit geldt meestal bij de klinkers a, o, u en y.   
- opa  opa's
- accu  accu's
- piano  piano's

Slide 36 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Soms verandert de laatste letter bij de -s of de f.
- huis  huizen
- neef  neven
Uitzonderingen zijn:
- fotograaf  fotografen
- paragraaf  paragrafen
- kaars  kaarsen

Slide 37 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Een woord dat in het enkelvoud eindigt op -ee krijgt in het meervoud -ën.
- zee  zeeën
- slee  sleeën
- idee  ideeën


Slide 38 - Tekstslide

Enkelvoud en meervoud
Regels meervoud:    
Bij woorden die in het enkelvoud eindigen op -ie is het vaak lastig om het meervoud te vinden. De regel is:
- Valt de klemtoom niet op de -ie, dan komt er geen extra -e. dat in het enkelvoud eindigt op -ee krijgt in het meervoud -ën.
- knie  knieën  (klemtoon valt op -ie)
- kolonie  koloniën (klemtoon valt niet op -ie)



Slide 39 - Tekstslide

Maken
Maak de opdrachten 12.05
blz. 219

Slide 40 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Verkleinwoorden:    
In heel veel gevallen komt er -je -tje of -etje achter het woord. Soms komt er nog een extra medeklinker bij het verkleinen van een woord (bijv. rol - rolletje)n. 



Slide 41 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Regels verkleinwoorden:    
Woorden die eindigen op -m krijgen meestal -pje er achter.
- riem  riempje
- boom  boompje

Uitzonderingen:
- kom  kommetje
- boterham  boterhammetje




Slide 42 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Regels verkleinwoorden:    
Woorden die eindigen op -ing krijgen meestal -inkje of - -ingetje achter het woord.
- ketting  kettinkje
- tekening  kettinkje
- ring  ringetje





Slide 43 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Regels verkleinwoorden:    
Woorden die eindigen op -a -é -o of -u krijgen een extra klinker in de verkleinvorm.
- paraplu  parapluutje
- op  opaatje
- auto  autootje
Woorden die eindigen op -i krijgen -ie in de verkleinvorm.
- taxi  taxietje
- tosti  tostietje




Slide 44 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Regels verkleinwoorden:    
Woorden die eindigen op -y, woorden die een afkorting zijn of woorden die een cijfer bevatten, krijgen in de verkleinvorm. een apostrof ( ' )
- baby  baby'tje
- pony  pony'tje
- sms  sms'je
- A4  A4'tje
Onthoud ook de volgende verkleinvormen: - jongen jongetje - machine machientje - aspirine aspirientje - lade laadje 



Slide 45 - Tekstslide

Maken
Maak de opdrachten 12.06-12.07
blz. 222-223

Slide 46 - Tekstslide