In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Ampèremeter
Slide 1 - Tekstslide
Geleiders
Sommige materialen laten elektriciteit door. Zo'n materiaal noemen we een geleider.
Alle metalen zijn goede geleiders. Veel gebruikte geleiders zijn koper, ijzer, tin en staal. Maar ook andere metalen zoals aluminium, zilver, goud en kwik geleiden elektriciteit goed.
Geleiders laten elektriciteit goed door
Slide 2 - Tekstslide
Isolatoren
Bijna alle andere materialen laten elektriciteit niet makkelijk door.
Dit noemen we een isolator.
Voorbeelden van isolatoren zijn hout, plastic, rubber, glas, keramiek, steen en vooral lucht.
Isolatoren laten geen elektriciteit door
Slide 3 - Tekstslide
Weerstand
Als er stroom door een apparaat loopt ontstaat er weerstand.
Deze weerstand in een elektriciteitssnoer is o.a. afhankelijk van:
1. de lengte; Hoe langer het snoer, hoe groter de weerstand.
2. de dikte; Hoe dunner het snoer, hoe groter de weerstand.
Weerstand is hoe makkelijk of hoe moeilijk de elektronen door een materiaal heen bewegen.
Slide 4 - Tekstslide
Een multimeter meet:
Spanning (volt)
Stroomsterkte (Ampère)
Weerstand (Ohm)
Slide 5 - Tekstslide
Wet van Ohm
De elektrische stroomsterkte hangt af van twee dingen:
de spanning
de weerstand.
Spanning kun je vergelijken met de kracht waarmee de elektrische deeltjes vooruit geduwd worden.
Hoe hoger de spanning, hoe groter de stroomsterkte.
Hoe groter de weerstand, hoe lager de stroomsterkte.
Slide 6 - Tekstslide
Wet van Ohm
Slide 7 - Tekstslide
Stappen
1. Gegeven
2. Gevraagd
3. Formule
4. Berekening
5. Antwoord +eenheid
Slide 8 - Tekstslide
Uitwerking opdracht
Gegevens: I = 1,2 A R= 15 Ohm
Gevraagd: U
Oplossing:
Spanning = stroomsterkte x weerstand U = I x R U = 1,2 x 15 U = 18 V
Slide 9 - Tekstslide
Opdracht 1
Slide 10 - Tekstslide
Wat is het antwoord?
Slide 11 - Open vraag
Uitwerking opdracht 1
Slide 12 - Tekstslide
Opdracht 2
Slide 13 - Tekstslide
Wat is het antwoord?
Slide 14 - Open vraag
Uitwerking opdracht 2
Slide 15 - Tekstslide
Opdracht 3
Slide 16 - Tekstslide
Wat is het antwoord?
Slide 17 - Open vraag
Uitwerking opdracht 3
Slide 18 - Tekstslide
Opdracht 4
Slide 19 - Tekstslide
Wat is het antwoord?
Slide 20 - Open vraag
Uitwerking opdracht 4
Slide 21 - Tekstslide
Voorbeeld van een weerstand
Slide 22 - Tekstslide
Symbool weerstand
Hoe teken je een weerstand in een schakelschema?
Je gebruikt het symbool in het plaatje hiernaast.
Slide 23 - Tekstslide
Waarde van een weerstand
De waarde van een weerstandje kun je bepalen aan de hand van de gekleurde ringen.
Op het plaatje hiernaast zie je wat de kleurcode van een weerstand betekent.
Slide 24 - Tekstslide
Ring 4 en evt 5
De 4e (en soms 5e ring) zijn zilver of goud. Dit betekent dat ze een afwijking hebben. Bij zilver is de afwijking 10% en de gouden 5%.