werkwoordspelling tt / vt/ vd

werkwoordspelling
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd ( voltooid deelwoord)
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1Leerroute 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

werkwoordspelling
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd ( voltooid deelwoord)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke werkwoorden ken je?

Slide 2 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

tegenwoordige tijd

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hij ___________ vijf dagen per week naar school.
A
ga
B
gat
C
gaat
D
gaan

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij ___________ op dinsdag in de klas.
A
reken
B
rekent
C
rekenen
D
rekenenen

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ________ mijn tas op de tafel.
A
zet
B
zett
C
ze
D
zetten

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

schrijf een zin (tegenwoordige tijd)

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verleden & voltooide tijd

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

verleden                                       tijd

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

https://www.softketchup.nl/?cat=11

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gisteren ________ ik in het park.
A
rente
B
renten
C
rende
D
renden

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vorig jaar ____________ wij elke dag naar school.
A
fietste
B
fietsten
C
fietsde
D
fietsden

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij ________ in een goed team.
A
voetbalte
B
voetbalten
C
voetbalde
D
voetbalden

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik _______ mijn vingers aan de kaars
A
Brande
B
Brandte
C
Brandde
D
Brandden

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vroeger _______ ik vroeg opstaan, maar nu vind ik het fijn
A
Hate
B
Haatte
C
Haate
D
Haten

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij __________ vorig jaar naar Amsterdam
A
Verhuiste
B
Verhuisten
C
Verhuisden
D
Verhuisde

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak een zin ( in de verleden tijd)

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Voltooide tijd

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik heb maandag gewerkt.
A
goed
B
fout

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij hebben de brief gestuurt.
A
goed
B
fout

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij hebben in de tuin gewerkt.
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mijn moeder heeft mij gebeld.
A
goed
B
fout

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Video

Deze slide heeft geen instructies

tegenwoordige tijd

verleden tijd
voltooide tijd

loopt
gebruikt
maakte
rende
gekookt
schrijft
gespeeld
breekt
dansde
verteld

Slide 31 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin in verleden tijd:
Ik bel mijn vriend.

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin de voltooide tijd.
Hij telt het geld.

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin de tegenwoordige tijd:
Wij knipten het papier.

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin in verleden tijd:
Ik was mijn kleding.

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin in voltooide tijd:
Wij plakken de foto in het boek.

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke tijd staan de zinnen?



1. Ik heb lekker geslapen.

2. De kinderen moeten weer naar school.

3. De man wilde naar huis gaan.
voltooide tijd
verleden tijd
tegenwoordige tijd

Slide 37 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe gaan de werkwoorden?
😒🙁😐🙂😃

Slide 38 - Poll

Deze slide heeft geen instructies