werkwoordspelling tt / vt/ vd

1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1Leerroute 2

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesplanning
Herhalen werkwoordspelling

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordspelling
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd ( voltooid deelwoord)

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke werkwoorden ken je?

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

tegenwoordige tijd

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hij ___________ vijf dagen per week naar school.
A
ga
B
gat
C
gaat
D
gaan

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij ___________ op dinsdag in de klas.
A
reken
B
rekent
C
rekenen
D
rekenenen

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ________ mijn tas op de tafel.
A
zet
B
zett
C
ze
D
zetten

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

schrijf een zin (tegenwoordige tijd)

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verleden & voltooide tijd

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

verleden                                       tijd

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

https://www.softketchup.nl/?cat=11

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gisteren ________ ik in het park.
A
rente
B
renten
C
rende
D
renden

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vorig jaar ____________ wij elke dag naar school.
A
fietste
B
fietsten
C
fietsde
D
fietsden

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij ________ in een goed team.
A
voetbalte
B
voetbalten
C
voetbalde
D
voetbalden

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik _______ mijn vingers aan de kaars
A
Brande
B
Brandte
C
Brandde
D
Brandden

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vroeger _______ ik vroeg opstaan, maar nu vind ik het fijn
A
Hate
B
Haatte
C
Haate
D
Haten

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij __________ vorig jaar naar Amsterdam
A
Verhuiste
B
Verhuisten
C
Verhuisden
D
Verhuisde

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak een zin ( in de verleden tijd)

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Voltooide tijd

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik heb maandag gewerkt.
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij hebben de brief gestuurt.
A
goed
B
fout

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij hebben in de tuin gewerkt.
A
goed
B
fout

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mijn moeder heeft mij gebeld.
A
goed
B
fout

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Video

Deze slide heeft geen instructies

tegenwoordige tijd<div><br></div>
verleden tijd
voltooide tijd<div><br></div>
loopt
gebruikt
maakte
rende
gekookt
schrijft
gespeeld
breekt
danste
verteld

Slide 33 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Samenwerken met het boek

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin in verleden tijd:
Ik bel mijn vriend.

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin de voltooide tijd.
Hij telt het geld.

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin de tegenwoordige tijd:
Wij knipten het papier.

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin in verleden tijd:
Ik was mijn kleding.

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf de zin in voltooide tijd:
Wij plakken de foto in het boek.

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke tijd staan de zinnen?



1. Ik heb lekker geslapen.

2. De kinderen moeten weer naar school.

3. De man wilde naar huis gaan.
voltooide tijd
verleden tijd
tegenwoordige tijd

Slide 40 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe gaan de werkwoorden?
😒🙁😐🙂😃

Slide 41 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vond jij de NT2-lessen dit jaar?
(TIP/TOP)

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies