Verleden tijd zwak werkwoord

          Persoonsvorm verleden tijd zwakke werkwoorden
  • ik weet wat zwakke werkwoorden zijn.
  • ik kan de persoonsvorm verleden tijd van zwakke werkwoorden   goed spellen. 
Wat kan ik straks?
👨‍🏫 Volgorde van de les
1- Wat weet je al?    2- Instructie + samen oefenen   3- Zelfstandig werken   4. Terug- en vooruitblik



1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

          Persoonsvorm verleden tijd zwakke werkwoorden
  • ik weet wat zwakke werkwoorden zijn.
  • ik kan de persoonsvorm verleden tijd van zwakke werkwoorden   goed spellen. 
Wat kan ik straks?
👨‍🏫 Volgorde van de les
1- Wat weet je al?    2- Instructie + samen oefenen   3- Zelfstandig werken   4. Terug- en vooruitblik



Slide 1 - Tekstslide

          Persoonsvorm verleden tijd zwakke werkwoorden

Enkelvoud: ik-vorm (nu) + de of te: beweerde, landde, danste, berichtte.

Meervoud: ik-vorm (nu) + den of ten: beweerden, landden, dansten

Om te bepalen of er de(n) of te(n) achter de ik-vorm komt, gebruik je als ezelsbruggetje ('t x-k(o)fsch(i)p). In dat woord zitten de medeklinkers t, x, f, k, s, ch en p. 
👨‍🏫 Volgorde van de les
1- Wat weet je al?    2- Instructie + samen oefenen   3- Zelfstandig werken   4. Terug- en vooruitblik



Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Gebruiksaanwijzing 't x-kofschip

Stap 1:  Kijk naar het hele werkwoord 

Stap 2: Haal -en  eraf
Stap 3: Kijk naar de letter waar het ww nu mee eindigt

Stap 4: Staat deze letter in 't x-kofschip?

Stap 5: Ja > stam + te(n)
                Nee > stam + de(n)

Stap 6: Schrijf eerst de ik-vorm op (tegenwoordige tijd) en plak daarna -te(n) of -de(n) erachter.

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeeld 
1. Fietsen
2. Fietsen 
3. Fiets
4. 's' komt voor in
't x-kofschip

5. Ik schrijf de ik-vorm op (tt)
(ik) fiets
6. dus de verleden tijd is:
Enkelvoud: fietste  
Meervoud:  fietsten

 

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld 
1. verbazen
2. Verbazen
3. Verbaz
4. 'z' komt niet voor in
't x-kofschip

5. Ik schrijf de ik-vorm op (tt)
(ik) verbaas
6. dus de verleden tijd is:
Enkelvoud: verbaasde
Meervoud: verbaasden

 

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld 
1. zwaaien
2. zwaaien
3. zwaai
4. 'i' is een klinker en niet een medeklinker (klinkers doen niet mee in 't x-kofschip)
5. Ik schrijf de ik-vorm op (tt)
(ik) zwaai
6. dus de verleden tijd is:
Enkelvoud: zwaaide
Meervoud: zwaaiden

 

Slide 7 - Tekstslide

Hoe spel je de verleden tijd?
Ik kook, ik ………….
A
kookte
B
kookde
C
kookten
D
kookden

Slide 8 - Quizvraag

Hoe spel je de verleden tijd?
Ik raad, ik ………….
A
raad
B
raadt
C
raade
D
raadde

Slide 9 - Quizvraag

Hoe schrijf je 'studeren' in de verleden tijd?
A
studeerde
B
studeerdte
C
studeerte
D
studere

Slide 10 - Quizvraag

Wat is de verleden tijd van 'werken'?
A
werkte
B
werkde
C
werken
D
werkden

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de verleden tijd van 'lachen'?
A
lachte
B
lachde
C
lachtem
D
lachen

Slide 12 - Quizvraag

Denk er dus aan!!!
EERST de                                                   ik-vorm
DAARNA schrijf je                                  -te/-de
MEERVOUD? vergeet de N niet

                                                                        Ik-vorm =                raad  
                    Verledentijd enkelvoud   Ik-vorm+de =        raadde
                    Verleden tijd Meervoud   Ik-vorm+den=      raadden

Slide 13 - Tekstslide

DENK ERAAN:
EERST de ik-vorm
DAARNA  schrijf je -te/-de
MEERVOUD? vergeet de N niet

Ik-vorm = raad  
Ik-vorm+de = raadde
Meervoud = raadden

Slide 14 - Tekstslide

Wat is de verleden tijd van:
ik antwoord, ik ...

Slide 15 - Open vraag

Hoe spel je de verleden tijd?
Jullie praten, jullie ...
A
praten
B
praatte
C
praatten
D
pratte

Slide 16 - Quizvraag

Hoe spel je de verleden tijd?
Wij verven, wij ………….
A
verfte
B
verfde
C
verften
D
verfden

Slide 17 - Quizvraag