Les 3 Energieneutraal ontwerpen

Les 3 Energieneutraal ontwerpen
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
BouwkundeMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Les 3 Energieneutraal ontwerpen

Slide 1 - Tekstslide

Inhoudsopgave
- Terugblik les 2
- Leerdoelen van les 3
- Energiebehoefte
- Energiebehoefte voor verwarming
- Warmtestromen
- Transmissie
- Opdracht 1 les 3  Transmissieberekening
- Opdracht 2 les 3 Warmteweerstandsberekening
- Ventilatie
- Opdracht 2 les 3  Ventilatiebalansberekening


Slide 2 - Tekstslide

Van welke soorten energieverbruik is er sprake bij een energieneutrale woning?
A
Gebouwgebonden
B
Niet gebouwgebonden
C
Zonne-energie
D
Windenergie

Slide 3 - Quizvraag

Slide 4 - Tekstslide

Wat verstaan we onder energieneutraal?
A
niet gebouwgebonden verbruik is 0 kWh aan het einde van een jaar
B
gebouwgebonden en niet gebouwgebonden is 0 kWh aan het einde van het jaar
C
gebouwgebonden verbruik is bijna 0 kWh aan het einde van een jaar
D
gebouwgebonden verbruik is 0 kWh aan het einde van een jaar

Slide 5 - Quizvraag

Slide 6 - Tekstslide

Leerdoelen van les 3
Leerdoelen
Aan het einde van deze les over energieneutraal ontwerpen kan de student:
- omschrijven wat met energiebehoefte bedoeld wordt
- voorschriften van luchtverversing opzoeken in het Bouwbesluit
- verschillende warmtestromen noemen die de basis vormen voor de energiebalans
- een eenvoudige transmissieberekening maken
- een eenvoudige warmteweerstandsberekening maken
- verschillende ventilatiesystemen noemen
- een ventilatiebalansberekening maken van een eenvoudige woning





Slide 7 - Tekstslide

Energiebehoefte
De energiebehoefte is de energiebalans (warmtebalans) binnen een gebouw. 

De energiebehoefte wordt bepaald voor alle gebruiksvoorzieningen in een
gebouw, dus voor verwarming, koeling, hulpenergie (bv door pompen en ventilatoren), ventilatie, verlichting etc. 


Slide 8 - Tekstslide

Energiebehoefte voor verwarming
De energiebehoefte voor verwarming ontstaat bijvoorbeeld door de warmteverliezen door de gebouwschil. Interne warmtebronnen zoals een fornuis of oven en warmte van de zon compenseren deze warmteverliezen voor een deel, dus die worden van de warmteverliezen afgetrokken.

De warmte, die de verwarmingsinstallatie levert 
om in de energiebehoefte voor verwarming te voorzien, 
is de nuttige warmte. Dit is de energie (warmte) die 
bijv. radiatoren afgeven om het gebouw op temperatuur 
te houden.


Slide 9 - Tekstslide

Warmtestromen
De energiebalans vormt de basis voor het bepalen van de energiebehoefte en is opgebouwd uit de volgende warmtestromen:

1. Transmissie, warmteoverdracht door de gebouwschil heen
2. Ventilatie, luchtverversing van de ruimte
3. Infiltratie, luchtstroming door kieren en naden
4. Zoninstraling, straling van de zon die door doorzichtige oppervlakken naar binnen komt
5. Interne warmtebronnen, productie van warmte binnen in de ruimte, door personen, apparatuur en verlichting

De bovenstaande onderdelen worden in de volgende sheets verder uitgelegd.

Slide 10 - Tekstslide

Warmtestromen
1. Transmissie
De transmissie van een gebouwdeel is de warmtestroom door een constructie bij een temperatuurverschil.

De transmissie reken je uit met de volgende formule:



ps: als je hierin ook de tijd meeneemt (* t in sec.) dan krijg je
een antwoord in Joules!

Slide 11 - Tekstslide

Opdracht 1 les 3
Transmissieberekening
Van de docent krijg je een opgave. Gebruik voor de uitwerking het format in Excel. Zorg dat je beide de antwoorden in je digitale portfolio toevoegt. 

Bereken met excel (bestand in teams) hoeveel warmte er per uur (3600 seconden)  stroomt  door een baksteenwand. Maak de berekening en kopieer deze later voor beton en glas volgens de opgave.
timer
1:00

Slide 12 - Tekstslide

Warmtestromen
Warmtegeleidingscoëfficiënt (λ lambda)
Bij geleiding is de warmtestroom afhankelijk van:
- De dikte (d) van het materiaal
- Het temperatuurverschil (ΔT)
- De oppervlakte (A), en

De warmtegeleidingscoëfficiënt: de hoeveelheid Watt energie die gaat door 1 m² van een 1 m dikke materiaallaag bij een temperatuurverschil van 1 Kelvin.
Bijvoorbeeld:  Aluminium 160 W/(mK), voelt koud aan, geleiding is hoog!
                              PIR isolatie 0.022 W/(mk), voelt warm aan, geleiding is laag!


Slide 13 - Tekstslide

Warmtestromen
Warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) en warmteweerstand (R-waarde)
• Voor glastypen en kozijnen wordt een U-waarde gegeven;
• Voor dichte onderdelen in vloer, dak en gevels wordt een isolatiewaarde “R” gegeven. De relatie tussen U-waarde en R-waarde is:

Rsi en Rse zijn de aanduidingen voor 
de warmteweerstand van lucht 
op het materiaal en aan de andere 
kant van het materiaal op lucht. 

Slide 14 - Tekstslide

Warmtestromen
Warmteweerstand van een constructie
In de praktijk blijkt het nooit mogelijk om precies te bouwen volgens de tekening. Spouwisolatie sluit bijvoorbeeld nooit volledig luchtdicht aan tegen het binnenspouwblad. Bij warmteweerstandsberekeningen van een constructie moet je dus een correctiefactor van 0,05 toepassen. De Rc wordt berekend met de onderstaande formule.

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 2 les 3
Warmteweerstandsberekening
Van de docent krijg je een opgave. Gebruik voor de uitwerking het format in Excel. Zorg dat je beide de antwoorden in je digitale portfolio toevoegt. 

Maak een warmteweerstandberekening van een spouwmuur met een binnenspouwblad van beton (d=120 mm), een laag isolatie (d=120mm) een luchtspouw van 30 mm, een buitenspouwblad van baksteen (d=100mm). Maak ook een warmteweerstandberekening van dubbel glas met afmetingen van buiten naar binnen van 5-15-4 mm de spouw van het glas is gevuld met stilstaande lucht. Het glas zit in een houten kozijn van 2 x 1,6 meter. Het kozijnprofiel is 67 x 114 mm en is van meranti. Bereken het warmtetransport van deze gevel per uur

Slide 16 - Tekstslide

Warmtestromen
2. Ventilatie
Omdat een goede luchtkwaliteit belangrijk is voor de gezondheid en het welzijn van mensen
zijn er wetten die voor voldoende ventilatie zorgen in alle gebouwen.
De wettelijke eisen voor ventilatie zijn vastgelegd in het Bouwbesluit.
Verder zijn van toepassing:
• NEN 1087:2018 - Voorschriften voor ventilatie van gebouwen 
• ISSO-publicatie 61 - Ventilatiesystemen in woningen en woongebouwen
• ISSO-publicatie 62 - Centrale gebalanceerde ventilatiesystemen met
warmteterugwinning in woningen en woongebouwen
• En andere gerelateerde normen.

Slide 17 - Tekstslide

Bouwbesluit
In het Bouwbesluit worden eisen gesteld voor de luchtverversing van ruimten.

https://www.bouwbesluitonline.nl/

Slide 18 - Tekstslide

Noodzaak van ventileren
Ventilatie vervangt de ‘gebruikte’ binnenlucht door ‘verse’
buitenlucht op een gecontroleerde manier. 

Als je bewust een raam of ventilatierooster openzet, of een mechanische afzuiging aanzet, spreken we van gecontroleerde ventilatie.

Elke dag ademt de mens +/- 12 m3 lucht in en uit. Hij neemt daarbij +/- 0,7 kg zuurstof op en ademt koolstofdioxide en waterdamp weer uit.

Slide 19 - Tekstslide

Ventilatiesystemen
Systeem A: ventilatie via de ramen;
Systeem B: mechanische toevoer en afvoer via ramen (vrijwel niet toegepast);
Systeem C: mechanische afvoer en aanvoer via ramen (veel toegepast vanaf jaren ‘1980);
Systeem D: mechanische toevoer én afvoer (veel toegepast vanaf jaren 2000).

Slide 20 - Tekstslide

Principe van doorstroomventilatie
In een luchtdicht gebouw kun je een ongestoorde luchtstroom creëren. Als je in een ruimte lucht inblaast bouw je daar druk op. Door lucht af te zuigen ontstaat plaatselijk een onderdruk. Met deze plaatselijke drukverschillen door balansventilatie is een gerichte doorstroming van alle ruimten mogelijk.

Bij balansventilatie in een luchtdicht gebouw kunnen we handig gebruik maken van deze drukverschillen met het principe van doorstroomventilatie:

Slide 21 - Tekstslide

Doorstroomprincipe
Hoe werkt het doorstroomprincipe?
1. Voldoende verse lucht toevoeren in slaapkamers.
2. Deze lucht stroomt via overstroomvoorzieningen (bijvoorbeeld spleten onder deuren) naar de afvoerruimten (bijvoorbeeld toilet, badkamer en keuken)
3. Secundaire ruimten, zoals verkeersruimten worden mee-geventileerd zonder een extra toevoer.
4. De meeste afvoercapaciteit aanbrengen in de keuken (ivm fijnstof)
5. De woonkamer wordt door hoge luchtafvoer in keuken extra geventileerd met de lucht
afkomstig uit de slaapkamers. Daardoor kan de directe luchttoevoer in de woonkamer
worden verminderd.

Slide 22 - Tekstslide

Voorbeeld ventilatiebalansberekening

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

blijft 8+8+10,5 = 26,5 - 14 = 12,5 over die via verkeersruimte naar  beneden gaat

Slide 26 - Tekstslide

Van de 12,5 die over was
wordt 7 via toilet afgezogen. De rest (5,5) gaat onder de deur door naar de woonkamer.

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

capaciteit 365 m3/uur

Slide 29 - Tekstslide

Opdracht 3 les 3
Ventilatiebalansberekening
Gebruik voor de uitwerking het format in Excel. Zorg dat je de antwoorden in je digitale portfolio toevoegt. 

In het voorgaande voorbeeld is uitgegaan van ventilatiesysteem C. 
Ga voor deze opgave uit van ventilatiesysteem D (mechanische aan en afvoer)

1. Zoek in het Bouwbesluit de voorschriften op die gelden voor luchtverversing in een woning.
2. Maak in Excel (gebruik het format) een tabel met de verschillende ruimtes van de 2 onder 1 kapwoning van Dorpshaven.
3. Vermeld per ruimte het oppervlak.
4. Bepaal de benodigde ventilatie per verblijfsruimte en vervolgens per verblijfsgebied.
5. Maak een ventilatiebalansberekening.
6. Welke capaciteit unit heb je nodig? Zoek op internet een geschikte unit.
7. Wat is het terugwinrendement volgens opgave van de leverancier?

Slide 30 - Tekstslide

nog uitwerken

Slide 31 - Tekstslide