2F H2 Gehele getallen boven 100 (AI)

Slim rekenen met grote getallen

1 / 30
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slim rekenen met grote getallen

Wat weet jij al over grote getallen en hoofdrekenen?

Aan het einde van de les kun je:

- rekenen met mooie getallen - optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen - grote getallen afronden en begrijpen - uitkomsten in praktische situaties gebruiken

Hoofddoelen en subdoelen

Je leert vandaag: 1. Rekenen met mooie getallen 2. Optellen & aftrekken 3. Vermenigvuldigen 4. Delen 5. Afronden 6. Grote getallen Iedere les bevat uitleg, praktijkvoorbeeld en controle-opgave.

1. Rekenen met mooie getallen

Kun je 200 + 300 in je hoofd uitrekenen? Bij mooie getallen eindigen beide getallen op één of meer nullen.

Praktijk: mooie getallen

Bijvoorbeeld: Het tellen van euro’s in briefjes van honderd. Hoe snel kun jij 500 + 200 uitrekenen?

Opgave – mooie getallen

Wat is 400 – 200? Wat is 300 × 20? Antwoorden mag je opschrijven!

2. Optellen van gehele getallen

Je kunt bijvoorbeeld 56 + 24 uitrekenen zonder rekenmachine. Hoe doe je dat in stappen?

Praktijk: optellen

Bij het boodschappen doen tel je het bedrag van producten bij elkaar op.

Opgave – optellen

Los op: 37 + 28 = ?

3. Aftrekken van gehele getallen

Je kunt uitrekenen hoeveel je overhoudt als je 45 – 17 doet. Welke strategie gebruik je?

Praktijk: aftrekken

Als je wisselgeld terugkrijgt na het betalen van iets van €10 met een briefje van €20.

Opgave – aftrekken

Los op: 63 – 29 = ?

4. Vermenigvuldigen

Twee gehele getallen met elkaar vermenigvuldigen, zoals 6 × 7. Ken jij de tafels nog?

Praktijk: vermenigvuldigen

Bijvoorbeeld: 5 dozen met elk 8 flessen water. Hoeveel flessen heb je in totaal?

Opgave – vermenigvuldigen

Los op: 8 × 9 = ?

5. Delen

Je kunt delen zonder rest (30:5=6) en delen met rest (17:4=4 rest 1).

Praktijk: delen

Je verdeelt 18 koekjes over 4 kinderen. Hoeveel krijgt ieder en hoeveel blijven er over?

Opgave – delen

Los op: 25 : 4 = ? (Hoeveel, en wat is de rest?)

6. Afronden

Je kunt getallen afronden op tientallen, honderdtallen en duizendtallen zoals 178 ≈ 180 of 1500 ≈ 2000.

Praktijk: afronden

Wat geef je ongeveer uit bij de supermarkt? Reken je snel, dan rond je bedragen af.

Opgave – afronden

Rond de volgende getallen af: - 394 op honderdtallen - 1.987 op duizendtallen

7. Grote getallen begrijpen

Duizend = 1.000, miljoen = 1.000.000, miljard = 1.000.000.000. In Nederland wonen ongeveer 17 miljoen mensen.

Grote getallen: schrijven en toepassen

Schrijf dit getal voluit: 4.560.000. Wat betekent het in de praktijk?

Drie miljoen schrijf je als 3.000.000.

Schrijven

Praktijk

Opgave – grote getallen

Schrijf in cijfers: vier miljoen achtduizend.

Samenvatting en reflectie

We hebben vandaag geleerd om: - mooie getallen te herkennen - hoofdrekenen toe te passen - grote getallen en afronden in de praktijk te gebruiken Wat vond je lastig? Wat kun je nu goed?

Laatste oefening

Bereken uit je hoofd: 5.000 – 2.000 + 700 × 2 = ?

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.