Commercieel H8 | Hoe verkoop ik artikelen

Hoe verkoop ik artikelen?
Commercieel H8
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Hoe verkoop ik artikelen?
Commercieel H8

Slide 1 - Tekstslide

Heb je wel eens een verkoper om advies gevraagd? Hoe ging dat?

Slide 2 - Tekstslide

Ben je wel eens een vervelende verkoper tegengekomen? Waaraan stoorde jij je?

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Verkoopgesprek
= Een gesprek waarin je een klant informatie en/of advies geeft.

Doel -> verkopen van artikelen of een dienst.

3 zaken hebben invloed op een verkoopgesprek:
  1. Koopgedrag
  2. Verkoopsysteem
  3. Winkelformule


Slide 5 - Tekstslide

Koopgedrag
= de manier waarop de klant zich gedraagt in de winkel.

-> om de klant te begrijpen, moet je goed kunnen communiceren. Dit is het overbrengen van één of meer boodschappen. 
Dit kan op 2 manieren:
  1. Verbale communicatie: Gebruik je woorden
  2. Non-verbale communicatie: Geen woorden, maar lichaamstaal

Slide 6 - Tekstslide

Verkoopsysteem = bedieningssysteem
Het verkoopsysteem geeft aan op welke manier de artikelen in een winkel worden verkocht.


Slide 7 - Tekstslide

Winkelformule

De manier waarom goederen of diensten verkocht worden aan de klant.

Dit bepaalt de winkel door te bepalen:

  • Doelgroep
  • Marktpositie
  • Marketingmix

Slide 8 - Tekstslide

Verkoopfases
  1. De opening
  2. Behoeftenonderzoek
  3. Deskundigheid aantonen
  4. Commitment verkrijgen

Slide 9 - Tekstslide

1. De opening
Eerst observeer je de klant. Dan vindt het 1e contact met de klant plaats.
 

Slide 10 - Tekstslide

1. De opening
Het moment waarop je de klant aanspreekt = inspringmoment.

Wat is een goed inspringmoment?
  • De klant kijkt zoekend om zich heen.
  • De klant heeft al een paar keer een artikel gepakt en weer teruggezet.
  • De klant probeert een artikel te pakken, maar kan er niet goed bij.

Slide 11 - Tekstslide

1. De opening
Hoe spreek je de klant aan?

  • Altijd met 'u'.
  • Je kijkt de klant aan als je tegen hem praat of luistert.
  • Je spreekt duidelijk en netjes Nederlands.
  • Je bent vriendelijk.

Slide 12 - Tekstslide

2. Behoeftenonderzoek
Tijdens deze fase ga je er proberen achter te komen wat de klant wil kopen, welke behoeften hij heeft. 

Slide 13 - Tekstslide

2. Behoeftenonderzoek
Koopweerstand = als een klant twijfelt. --> je vraagt dan waarom hij aarzelt en geeft hem vervolgens passend advies.
Gesprek bestaat uit 4 onderdelen, namelijk:
  1. Onderzoek doen 
  2. tonen of demonstreren
  3. Verwijzen
  4. Adviseren

Slide 14 - Tekstslide

2. Behoeftenonderzoek
Onderzoek doen:
  • Koopbehoefte: een klant komt naar je winkel omdat hij iets nodig heeft.
  • Koopmotief: de reden waarom de klant naar de winkel komt en een artikel koopt.

Slide 15 - Tekstslide

2. Behoeftenonderzoek
  1. Rationeel koopgedrag = De klant heeft goed nagedacht voordat zij iets koopt.
  2. Emotioneel koopgedrag = Je koopt iets omdat je het mooi vindt en niet kan laten staan.

Slide 16 - Tekstslide

3. Deskundigheid aantonen
In de vorige fase heb je de koopbehoefte van de klant onderzocht. In deze fase toon jij jouw deskundigheid aan de klant aan.

Slide 17 - Tekstslide

3. Deskundigheid aantonen
Deskundigheid toon je aan door bijvoorbeeld:
- artikelen te laten zien die passen bij de koopbehoeften
- te laten zien hoe het artikel staat of hoe het werk
- door informatie over het artikel te geven.
- vergelijkbare artikelen te laten zien,  maar die toch van elkaar verschillen (productvergelijking)

Slide 18 - Tekstslide

3. Deskundigheid aantonen
Bijverkoop = In een winkel verkoop je ook vaak artikelen die andere artikelen (hoofdartikelen) aanvullen.

Plaatsvervangende verkoop = Als het gezochte artikel niet aanwezig is en de klant toch een ander artikel koopt.

Slide 19 - Tekstslide

3. Deskundigheid aantonen
Praktische artikelkennis 

Technische artikelkennis = 

Commerciele artikelkennis = 

Slide 20 - Tekstslide

Fase 3: Afronding
  • Je rekent af
  • Eventueel bespreek je de levering (leverings- en betalingsvoorwaarden)
  • Als het artikel een cadeautje si, dan pak je het mooi in.
  • Je neemt afscheid (fijne dag wensen)

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Klantgericht handelen
= tegemoetkomen aan de wensen en behoeftes van de klant. Klantgericht handelen houdt het volgende in:

  • beleefd zijn
  • respect tonen
  • aandacht schenken
  • informatie geven.

Slide 23 - Tekstslide

Service verlenen
Persoonlijke service = is alle service die een verkoper zelf verleent aan de klant. 
Bijv. Je biedt een klant in een tapijtzaak een kopje koffie aan.
Je houdt de deur open voor een klant met een kinderwagen.
 
Niet-persoonlijke service = alle service die een retailer verleent aan alle klanten. Bijv. garantie, speelhoek, servicebalie

Slide 24 - Tekstslide