CONFLICT · SAMENWERKING
Examentraining
Conflict en samenwerking: zo pak je examenvragen aan
CONFLICT · SAMENWERKING
Examentraining
Conflict en samenwerking: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Hanno Lans / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
CONFLICT · SAMENWERKING
Wat ga je kunnen?
Ik kan een conflict typeren, oorzaken en gevolgen ontleden, het harmonie- of conflictmodel herkennen en samenwerking analyseren.
Deze slide heeft geen instructies
CONFLICT · SAMENWERKING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, leg uit of typeer? Onderstreep de partijen in de casus.
2. Zoek: welk begrip uit het onderwerp zit in de casus en op welk niveau speelt het?
3. Maak concreet: haal een zin of gegeven uit de casus en koppel het aan het begrip.
4. Schrijf: begrip, aanwijzing uit de casus, conclusie. Alleen een definitie is te weinig.
Deze slide heeft geen instructies
CONFLICT · SAMENWERKING
Vraagtype 1: een conflict typeren
Je krijgt een casus en moet het conflict typeren: manifest of latent, belangen of waarden.
Vraag je af: is de tegenstelling zichtbaar, en gaat het om schaarse middelen of om normen en waarden?
Noem het begrip en de aanwijzing uit de casus.
Deze slide heeft geen instructies
Het personeel is boos over loon maar zwijgt. Welk conflict is dit?
Een manifest conflict
Een waardenconflict
Een klassenstrijd
Een latent conflict
Syllabus 10.1: de spanning bestaat maar is niet zichtbaar, dus latent. Verwachte fout: manifest, omdat er boosheid is.
Staking voor hoger loon: typeer het conflict.
Goed antwoord: een manifest conflict (open en zichtbaar) en een belangenconflict (loon is een schaars middel). Beide benamingen zijn goed, met een aanwijzing uit de casus. Verwachte fout: waardenconflict.
CONFLICT · SAMENWERKING
Vraagtype 2: oorzaken en gevolgen ontleden
Je moet uitleggen waarom een conflict ontstaat of wat het gevolg is.
Oorzaken: klasse, gender, etniciteit, generaties, sociaal-culturele verschillen, vooral als ze onrechtvaardig lijken.
Gevolgen: minder of meer cohesie, scheuring, sociale verandering of blokkade.
Deze slide heeft geen instructies
In een lange strijd voelt de groep zich meer verbonden. Welk gevolg?
Blokkade van sociale verandering
Herverdeling van schaarse middelen
Een scheuring in de groep
Meer sociale cohesie binnen de partij
Syllabus 10.3: bij een conflict wordt de cohesie binnen de partijen versterkt. Verwachte fout: scheuring, die pas bij een langdurig conflict optreedt en hier niet wordt genoemd.
Waarom leidt ongelijkheid soms tot conflict?
Goed antwoord: als mensen de ongelijkheid als onrechtvaardig ervaren, bijvoorbeeld tussen klassen, mannen en vrouwen of etnische groepen, ontstaan botsingen en protest. Verwachte fout: zeggen dat elke ongelijkheid tot een conflict leidt.
Overleg aan een ronde tafel tijdens de G20-top in Brisbane, 2014
CONFLICT · SAMENWERKING
Vraagtype 3: harmonie- of conflictmodel herkennen
Je moet in een casus zien hoe partijen met een conflict omgaan.
Overleg en een breed gedragen akkoord: harmoniemodel. Strijdmiddelen en media: conflictmodel.
Noem het model en het bewijs uit de casus.
Image credit: Aman Sharma / Europese Unie / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Werkgevers en vakbonden praten maanden tot ze een akkoord hebben. Welk model?
Het conflictmodel
Het harmoniemodel
Een latent conflict
Klassenstrijd
Syllabus 10.4: overleg en een gedeeld akkoord zijn kenmerkend voor het harmoniemodel (in Nederland het poldermodel). Verwachte fout: conflictmodel, omdat er belangen botsen.
Staking en media-actie. Welk model past?
Goed antwoord: het conflictmodel, want de groep zet strijdmiddelen in (staking) en beïnvloedt de bevolking via de media. Verwachte fout: harmoniemodel, omdat er ook gepraat wordt.
CONFLICT · SAMENWERKING
Vraagtype 4: samenwerking analyseren
Je moet aangeven wat samenwerking mogelijk maakt en wie wat inlevert.
Voorwaarden: vertrouwen, acceptatie en compromisbereidheid.
Let op machtsverschillen: interdependentie kan ongelijk zijn.
Deze slide heeft geen instructies
Vul in
Voor samenwerking zijn onderling vertrouwen, wederzijdse acceptatie en compromisbereidheid nodig.
Syllabus 10.5. Verwachte fout: macht of autonomie, terwijl partijen juist een deel van hun autonomie inleveren.
Twee bedrijven hebben elkaar nodig, maar het grote bepaalt meer. Wat is dit?
Een latent conflict
Een volledige consensus
Een ongelijke interdependentie
Een klassenstrijd
Syllabus 10.5: partijen hebben elkaar nodig, maar de interdependentie kan asymmetrisch zijn. Verwachte fout: concluderen dat er dan geen samenwerking is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een conflict typeren
Oorzaken en gevolgen ontleden
Harmonie- of conflictmodel herkennen
Samenwerking analyseren
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.
CONFLICT · SAMENWERKING
Tips voor op het examen
Noem het begrip letterlijk en koppel het aan een gegeven uit de casus.
Let op het niveau: micro (personen), meso (groepen) of macro (landen).
Bij oorzaken: noem het soort verschil (klasse, gender, etniciteit, generatie of cultuur) en waarom het onrechtvaardig lijkt.
Harmoniemodel is overleg en consensus, conflictmodel is strijdmiddelen. Beide kunnen in één casus voorkomen.
Deze slide heeft geen instructies