CONFLICT · INTERNATIONAAL
Internationale conflicten
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Internationale conflicten
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C3 (11.1-11.4). Image credit: U.S. Department of State / Wikimedia Commons, publiek domein
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Wat ga je kunnen?
Ik kan conflicten en samenwerking tussen staten verklaren vanuit paradigma's, en het veiligheidsdilemma uitleggen.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden komen bij je op bij internationaal conflict?
Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: oorlog, sancties, onderhandelen, VN, NAVO, wapens, macht, grenzen, vertrouwen, samenwerking. Groepeer op het bord: oorzaken, vormen, oplossingen en samenwerking. Dat zijn de blokken van deze les. Blok 1 gaat over conflicten en paradigma's, blok 2 over internationale conflicten en samenwerking, blok 3 over politieke samenwerking en het veiligheidsdilemma. Houd actuele voorbeelden neutraal en feitelijk.
Vergadering van de VN-Veiligheidsraad in New York, 23 september 2016
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Wat is een conflict?
Een conflict: individuen, groepen en/of staten werken elkaar tegen om de eigen doelen te bereiken.
Het komt voor op micro-, meso- en macroniveau: personen, groepen en staten.
Een conflict is latent (sluimerend) of manifest (open), met zichtbaar conflictgedrag van de actoren.
Vaak spelen machtsverschillen tussen individuen, bevolkingsgroepen of landen een rol.
Syllabus 11.1: een conflict is een situatie waarin individuen, groepen en/of staten elkaar tegenwerken om de eigen doelen te bereiken. Conflicten komen voor op micro-, meso- en macroniveau en kunnen latent of manifest zijn; actoren (personen of staten) laten conflictgedrag zien. Bij maatschappelijke of sociale conflicten spelen vaak machtsverschillen mee. Veelgemaakte fout: denken dat een conflict altijd gewelddadig of zichtbaar is. Een latent conflict is er wel, maar nog niet openlijk. Foto: de Veiligheidsraad, een plek waar staten hun belangen tegenover elkaar zetten. Vraag bij de foto: welk niveau is dit, en wie werkt wie tegen? Image credit: U.S. Department of State / Wikimedia Commons, publiek domein
Karl Marx (1818-1883), foto uit 1875
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Functionalisme en conflictparadigma
Functionalisme: de samenleving is een organisme; elk deel draagt bij aan orde, harmonie en groei.
Een conflict is dan een uitzondering die de orde bedreigt en zoveel mogelijk vermeden moet worden.
Conflictparadigma: de samenleving is een arena waarin groepen strijden om macht, geld, status en invloed.
Conflicten zijn niet per definitie slecht: ze zijn vaak de motor van maatschappelijke verandering.
Syllabus 11.1: functionalisme ziet conflicten als pathologisch en niet normaal; ze komen altijd wel voor maar bedreigen de maatschappelijke orde. Het conflictparadigma kijkt juist naar de strijd om macht, geld, overtuiging, status en invloed en ziet conflicten als motor van verandering. Veelgemaakte fout: functionalisme en conflictparadigma omdraaien, of denken dat het conflictparadigma conflicten wil. Het beschrijft ze, het keurt ze niet goed. Foto: Marx, de eerste stroming van het conflictparadigma (volgende dia). Image credit: John Jabez Edwin Mayall / Wikimedia Commons, publiek domein
Samuel P. Huntington op het World Economic Forum, 2004
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Marx, Huntington en andere paradigma's
Marx: ongelijk bezit tussen de bezittende en bezitloze klasse leidt tot een onontkoombaar conflict.
Huntington: conflicten komen voort uit sociale en culturele verschillen, zoals godsdienst of etniciteit.
Sociaalconstructivisme: kijkt naar de betekenis die actoren aan gedragingen in conflict hechten.
Rationele actor: kijkt naar hoe partijen met tegengestelde belangen samenwerken en oplossingen vinden.
Syllabus 11.1: binnen het conflictparadigma twee stromingen. Marx: ongelijke materiële verschillen tussen bezittende en bezitloze klasse leiden tot een onontkoombaar conflict en het omverwerpen van het systeem. Huntington: maatschappelijke conflicten kunnen voortkomen uit uiteenlopende sociale en culturele verschillen; veel conflicten hebben een godsdienstige, etnische en/of politieke achtergrond of draaien om belangentegenstellingen. Sociaalconstructivisme: betekenis die actoren aan gedragingen hechten. Rationele actor: hoe personen of groepen met tegengestelde doelen omgaan, samenwerken en samen tot een oplossing komen; conflicten kunnen ook een vernieuwende functie hebben. Politieke conflicten ontstaan uit botsende ideeën over de inrichting van de samenleving of wereldorde, vaak over economie of ongelijkheid in geld of macht, maar ook over privacy of euthanasie. Veelgemaakte fout: Marx koppelen aan cultuur en Huntington aan bezit. Examenvaardigheid: een conflict verklaren vanuit een paradigma. Image credit: Peter Lauth / World Economic Forum / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
Twee staten blokkeren elkaars handel om eigen doelen te halen. Welk niveau?
Microniveau
Mesoniveau
Macroniveau
Individueel niveau
Staten tegenover elkaar is macroniveau. Micro is tussen personen, meso tussen groepen en organisaties. Verwachte fout: mesoniveau, omdat het om een groep landen gaat.
Vul in
Volgens Marx leiden ongelijke bezitsverhoudingen tot een onontkoombaar conflict, volgens Huntington spelen sociale en culturele verschillen een rol.
Marx: bezit en klasse. Huntington: sociale en culturele verschillen. Verwachte fout: de twee omdraaien.
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Internationale conflicten en hun oorzaken
Oorzaken: etnisch, religieus, ideologisch, territoriaal, politiek, economisch of ecologisch.
Conflicten krijgen vaak een stempel (etnisch of religieus), terwijl er ook politieke of economische oorzaken zijn.
De laatste decennia braken veel meer intrastatelijke dan interstatelijke gewelddadige conflicten uit.
Daarbij erkent vaak een partij de overheid niet of is er geen overheid met geweldsmonopolie.
Door globalisering zijn ze internationaal: rebellen zoeken steun, wapens en schuilplaatsen in het buitenland.
Syllabus 11.2: internationale conflicten kunnen ontstaan om etnische, religieuze, ideologische, territoriale, politieke, economische of ecologische redenen. Vaak krijgt een conflict (van de partijen en van de buitenwereld) een stempel, terwijl er ook andere oorzaken aan ten grondslag liggen. Intrastatelijk is een conflict binnen een staat, interstatelijk tussen staten. Oppositie- en rebellenbewegingen zijn vaak afhankelijk van het buitenland. Door interdependentie hebben deze conflicten gevolgen voor de rest van de wereld, zoals migratiestromen of de dreiging van terrorisme. Veelgemaakte fout: het stempel van een conflict als enige oorzaak zien. Houd voorbeelden neutraal en feitelijk en laat leerlingen zelf een voorbeeld kiezen.
Een zaal in het Vredespaleis in Den Haag, zetel van het Internationaal Gerechtshof
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Conflictoplossing tussen staten
Conflicten tussen staten zijn meestal niet gewelddadig en lossen op via overleg en onderhandelingen.
Andere middelen: diplomatieke druk, het bespelen van de internationale publieke opinie en soms sancties.
Laatste instantie: een internationale rechtbank (zoals het Internationaal Gerechtshof) of gewapende strijd.
Bij intrastatelijke conflicten volgen eerst overleg en sancties, daarna kunnen staten interveniëren.
Syllabus 11.2: conflicten tussen staten over bijvoorbeeld handel, grenzen of het beleid van internationale organisaties worden doorgaans opgelost door overleg en onderhandelingen. Om eigenbelangen te behartigen gebruiken staten ook diplomatieke druk, de internationale publieke opinie en soms economische sancties. In laatste instantie kan een zaak worden voorgelegd aan een internationale rechtbank (Internationaal Gerechtshof, Europese Hof van Justitie) of ontstaat gewapende strijd. Bij intrastatelijke conflicten zetten internationale organisaties eerst andere middelen in (onderhandelingen, waarnemers, economische sancties) voordat de internationale gemeenschap interveniert. Veelgemaakte fout: denken dat staten conflicten meteen met geweld beslechten. Foto: het Vredespaleis, zetel van het Internationaal Gerechtshof. Vraag: welk middel zou jij als eerste inzetten en waarom? Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein
Overleg aan een ronde tafel tijdens de G20-top in Brisbane, 2014
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Samenwerking tussen staten
Samenwerking: individuen, groepen en/of staten stemmen hun handelen af voor een gemeenschappelijk doel.
Voorwaarden: onderling vertrouwen, wederzijdse acceptatie en compromisbereidheid.
Partijen leveren meestal een deel van hun autonomie in en gaan met elkaar aan tafel.
Het is geven en nemen, maar niet iedereen levert evenveel in: interdependentie kan asymmetrisch zijn.
Syllabus 11.3: samenwerking is het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel, door elkaars sterke punten of de macht van het getal te gebruiken. Voorwaarden: onderling vertrouwen, wederzijdse acceptatie, compromisbereidheid. Deelnemers leveren meestal een deel van hun autonomie in, gaan aan tafel en maken heldere afspraken. Machtsverschillen spelen mee: men heeft elkaar nodig, maar de interdependentie kan asymmetrisch zijn. Het bestaan en afbouwen van wantrouwen speelt voortdurend een rol in de nationale en internationale politiek. Veelgemaakte fout: denken dat samenwerking betekent dat iedereen evenveel inlevert. Foto: overleg tijdens de G20-top, 2014. Image credit: Aman Sharma / Europese Unie / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Een conflict heet 'religieus', maar draait ook om grondstoffen. Wat toont dit?
Het conflict is eigenlijk latent
Religie speelt nooit een rol in conflicten
Het stempel is niet per se de enige oorzaak
Het conflict is vanzelf interstatelijk
Syllabus 11.2: conflicten krijgen vaak een stempel terwijl er ook politieke of economische oorzaken zijn. Verwachte fout: het stempel als onwaar zien. Religie kan wel een rol spelen, maar is meestal niet de enige oorzaak.
Wat is een voorwaarde voor effectieve samenwerking tussen staten?
Onderling vertrouwen en compromisbereidheid
Gelijke macht van alle deelnemende staten
Het behouden van volledige autonomie
Een gedeelde godsdienst of etniciteit
Syllabus 11.3: vertrouwen, wederzijdse acceptatie, compromisbereidheid. Staten leveren juist autonomie in en machtsverschillen mogen bestaan. Verwachte fout: gelijke macht kiezen.
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Politieke samenwerking en conflict
Politieke samenwerking is vrijwillig (gedeelde waarden), uit gedeelde belangen of door dwang (machtsuitoefening).
Samenwerking is het middel bij uitstek om conflicten op te lossen en te voorkomen.
Harmoniemodel: overlegcultuur en consensus, een breed gedragen overeenstemming.
Conflictmodel: actiegroepen werpen eigen doelen in de strijd, met media, stakingen of burgerlijke ongehoorzaamheid.
Syllabus 11.3: politieke partijen werken samen vrijwillig, door gedeelde belangen of door dwang; politici werken samen met maatschappelijke groepen. Samenwerking is het middel bij uitstek om conflicten op te lossen en te voorkomen. Het harmoniemodel (in Nederland de afgelopen decennia dominant) legt de nadruk op overlegcultuur en consensus. In het conflictmodel zetten actiegroepen en organisaties strijdmiddelen in en proberen via de media politiek en bevolking te overtuigen; lukt een compromis niet na bemiddeling, dan volgen zwaardere middelen. Veelgemaakte fout: denken dat het ene model beter is dan het andere. Ze sluiten elkaar niet uit en partijen wisselen af.
Amerikaanse luchtfoto van een raketlocatie bij San Cristóbal, Cuba, 1 november 1962
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Het veiligheidsdilemma
Realisme: in een anarchistische wereld is niemand te vertrouwen, dus elke staat bewapent zich zelf.
Buurstaten voelen zich bedreigd en bewapenen zich ook, waardoor anderen zich weer onveiliger voelen.
Veiligheidsdilemma: streven naar veiligheid leidt tot meer onveiligheid, al is elke stap rationeel.
Oplossing: overleg en onderhandelingen, maar dat vraagt voldoende onderling vertrouwen.
Syllabus 11.4: het veiligheidsdilemma is vooral geformuleerd door onderzoekers van de realistische theorie. In een anarchistische wereld waarin niemand te vertrouwen is, moet elke staat voor zijn eigen veiligheid zorgen en bewapent zich. Buurstaten ervaren dat als bedreiging en bewapenen zich ook; op het eind van een bewapeningsronde is het gevoel van veiligheid niet toegenomen. Rationeel voor de afzonderlijke actor, ongewenst voor alle actoren samen. Vergelijkbaar met het prisoner's dilemma (individuele en korte termijnbelangen tegenover gemeenschappelijke en lange termijnbelangen). Het dilemma zou kunnen worden opgelost door overleg en onderhandelingen, maar dan moeten staten elkaar voldoende vertrouwen. Veelgemaakte fout: denken dat een staat die zich bewapent altijd agressief is. Het dilemma gaat om angst en onzekerheid over de ander. Foto: Amerikaanse luchtfoto van een raketlocatie op Cuba, 1962, tijdens de Cubacrisis tussen de VS en de Sovjet-Unie. Image credit: Amerikaanse overheid, National Archives / Wikimedia Commons, publiek domein
Leiders van NAVO-lidstaten bij de top in Washington, 9 juli 2024
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Collectieve actie en kernwapens
Bij veel actoren spelen free-riders: zij laten de inspanning voor veiligheid aan anderen over.
Een oppermachtige staat kan inspanningen coördineren, zoals de VS na de Tweede Wereldoorlog of in de NAVO.
Samenwerken is vooral moeilijk als er geen duidelijke leider is.
Kanttekening: volgens sommigen geven kernwapens juist veiligheid, want een aanval levert niets op.
Syllabus 11.4: bij veel actoren (het internationale statensysteem bijna per definitie) speelt het probleem van collectieve actie: het is rationeel om de inspanningen voor collectieve goederen zoals internationale veiligheid door anderen te laten verrichten (free-riders), bijvoorbeeld bij het optreden tegen een potentiële agressor. Een oppermachtige staat die het handelen coördineert kan dit oplossen, zoals de VS na de Tweede Wereldoorlog of in de NAVO. Kanttekening: een steeds verdere bewapening kan grote mogendheden in staat stellen een tegenstander te vernietigen, ook als die eerst aanvalt; volgens sommigen leidt zware bewapening dan wel tot meer veiligheid. Presenteer dit als een visie, niet als feit. Veelgemaakte fout: het free-riderprobleem verwarren met het veiligheidsdilemma. Het eerste gaat over te weinig inzet voor een gemeenschappelijk goed, het tweede over bewapeningsspiralen. Foto: NAVO-top, Washington 2024. Image credit: The White House / Wikimedia Commons, publiek domein
Waarom geeft wapenwedloop onveiligheid?
Goed antwoord: elke staat bewapent zich uit angst voor de ander, die zich daardoor bedreigd voelt en ook bewapent, zodat het veiligheidsgevoel niet toeneemt (veiligheidsdilemma). Verwachte fout: alleen zeggen dat wapens gevaarlijk zijn.
Vul in
In het harmoniemodel draait het om overlegcultuur en consensus, het conflictmodel zet strijdmiddelen in.
Harmoniemodel: overleg en consensus. Conflictmodel: strijdmiddelen. Verwachte fout: de twee omdraaien.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Paradigma's en conflicten (11.1)
Internationale conflicten en oplossing (11.2)
Samenwerking en modellen (11.3)
Veiligheidsdilemma (11.4)
Gebruik de uitslag om les 2 te starten: begin bij het onderdeel met de meeste stemmen.
Kies een begrip uit de les en leg het uit.
Goed antwoord: een begrip uit de les met een juiste uitleg of voorbeeld. Verwachte fout: alleen het woord herhalen zonder uitleg.
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Begrippen (1/2)
conflict: situatie waarin individuen, groepen of staten elkaar tegenwerken voor eigen doelen
latent en manifest conflict: sluimerend (minder zichtbaar) tegenover open en zichtbaar met conflictgedrag
intrastatelijk conflict: conflict binnen een staat, vaak zonder overheid die het geweldsmonopolie handhaaft
sancties: economische maatregelen om druk uit te oefenen zonder geweld
samenwerking: handelen afstemmen voor een gemeenschappelijk doel, met vertrouwen en compromis
Deze slide heeft geen instructies
CONFLICT · INTERNATIONAAL
Begrippen (2/2)
interdependentie: onderlinge afhankelijkheid, soms asymmetrisch
harmoniemodel: overleg en consensus bij politieke en economische problemen
conflictmodel: eigen doelen in de strijd werpen met strijdmiddelen
veiligheidsdilemma: meer bewapening voor veiligheid leidt tot meer onveiligheid
free-rider: staat die de inspanning voor collectieve veiligheid aan anderen overlaat
Deze slide heeft geen instructies