Argumentatieschema's (Nederlands vwo), les 2: Examentraining

Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Examentraining

Argumentatieschema's: zo pak je examenvragen aan

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met drie vraagtypen (schema benoemen, uitleggen en citeren, bewering en volgorde), elk met een eigen leestekst op vwo-niveau en examenvragen die naar alinea's verwijzen. Met stappenplan en tips.

Onderdelen in deze les

Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Examentraining

Argumentatieschema's: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Roberto Ferrari / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een complexe tekst per alinea het argumentatieschema benoemen en mijn antwoord onderbouwen.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees de vraag: over welke alinea of zin gaat het? Zoek eerst het standpunt, ook als dat impliciet blijft.

  • 2. Zoek het argument: wat zegt de schrijver om dat standpunt te ondersteunen?

  • 3. Vraag wat het argument doet: noemt het gevolgen, kenmerken, voorbeelden, een vergelijking of een deskundige?

  • 4. Controleer: past het standpunt bij het schema (wat moet, wat waarschijnlijk is, wat in het algemeen geldt)?

  • 5. Check de afleiders: één alinea kan meer dan één schema bevatten; bepaal welke zin de vraag bedoelt.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Vraagtype 1: schema benoemen (meerkeuze)

  • Dit vraagtype geeft een alinea of zin en vraagt welk schema de schrijver gebruikt

  • Zoek eerst het standpunt, bepaal dan wat het argument over dat standpunt zegt

  • Let op afleiders die lijken te passen: meerdere schema's noemen gevolgen, gevallen of eigenschappen

Op het examen staat de naam van het schema in de antwoorden. Laat leerlingen bij elke afleider zeggen waarom die niet past.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Tekst 3: Stemrecht op zestien

(1) Het stemrecht zou verlaagd moeten worden naar zestien jaar. Een verlaging heeft een duidelijk voordeel: jongeren raken eerder gewend aan politieke keuzes, en politici krijgen een prikkel om ook iets te doen voor een groep die nu buiten beeld blijft. Het enige nadeel is wat extra voorlichting, en die kan op school worden gegeven.

(2) Het idee dat zestienjarigen weinig van politiek snappen, houdt geen stand. In Elzenburg, Vlietwijk en Harenveld mochten jongeren bij de wijkraadsverkiezingen stemmen, en in alle drie de wijken maakten ze keuzes die ze goed konden verdedigen.

(3) Politiek psycholoog dr. Karim Boukhari, die al jaren jongeren volgt, laat weten dat zestienjarigen hun stem zelden van hun ouders overnemen. De vrees voor beïnvloeding door thuis is dus ongegrond.

Eigen tekst voor Examenstof

Hoofdtekst bij vraagtype 1. Alinea 1 voor- en nadelen, alinea 2 voorbeelden, alinea 3 autoriteit. Personen en plaatsen zijn verzonnen.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Tekst 3 (vervolg)

(4) Wie een scooter mag besturen en verantwoordelijk is voor zijn eigen bijbaan, kan ook een stembiljet aan. Het verkeer vraagt immers minstens zoveel zelfstandig oordeel als het stemhokje.

(5) Zestienjarigen zijn bovendien de digitaal vaardigste kiezers die er zijn: ze zoeken razendsnel informatie op, vergelijken partijprogramma's op hun telefoon en herkennen een reclametruc sneller dan menig volwassene. Daarmee zijn ze minstens zo goed in staat tot een onderbouwde keuze.

Eigen tekst voor Examenstof

Alinea 4 vergelijking, alinea 5 kenmerk of eigenschap. Alinea 5 staat bewust dicht bij alinea 2, omdat beide over het vermogen van jongeren gaan: bij alinea 2 gaat het om gevallen, bij alinea 5 om eigenschappen.

Welk schema onderbouwt het standpunt in alinea 2?

In Elzenburg, Vlietwijk en Harenveld mochten jongeren stemmen, en in alle drie de wijken maakten ze keuzes die ze goed konden verdedigen.

A

vergelijking

B

kenmerk of eigenschap

C

autoriteit

D

voorbeelden

Het standpunt is dat zestienjarigen wel iets van politiek snappen (algemene bewering). De drie wijken zijn gevallen waarin dat optrad. Verwachte fout: vergelijking, omdat er meerdere situaties worden genoemd; er wordt echter niet één situatie met een andere vergeleken.

Welk schema gebruikt de schrijver in alinea 4?

Wie een scooter mag besturen en verantwoordelijk is voor zijn eigen bijbaan, kan ook een stembiljet aan.

A

kenmerk of eigenschap

B

voor- en nadelen

C

voorbeelden

D

vergelijking

Twee situaties (verkeer en stemhokje) worden naast elkaar gezet: wat daar gepast is, geldt volgens de schrijver ook hier. Verwachte fout: kenmerk of eigenschap, omdat de scooter en de bijbaan als eigenschappen van zestienjarigen worden gelezen.

Welk schema gebruikt de schrijver in alinea 5?

Ze zoeken razendsnel informatie op, vergelijken partijprogramma's en herkennen een reclametruc sneller dan menig volwassene.

A

oorzaak en gevolg

B

kenmerk of eigenschap

C

voorbeelden

D

voor- en nadelen

Eigenschappen van zestienjarigen (snel informatie zoeken, programma's vergelijken) onderbouwen het standpunt dat ze een onderbouwde keuze kunnen maken, een andere eigenschap. Verwachte fout: voorbeelden, omdat er meerdere dingen worden opgesomd.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Vraagtype 2: uitleggen en citeren (open)

  • Bij een open vraag noem je het schema en leg je in een zin uit waaraan je het herkent

  • Verwijs naar de tekst: wat is het standpunt en wat zegt het argument?

  • Bij een citeervraag schrijf je de eerste en laatste woorden van de gevraagde zin op

Een goed antwoord heeft twee punten: de juiste naam en de juiste uitleg, met een verwijzing naar de tekst. Bij de citeervraag letten op de juiste zin.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Tekst 4: Papier of scherm

(1) Scholen stappen massaal over op digitaal lesmateriaal, alsof papier een voorbijgestreefd gebrek is. Een verstandige school houdt de papieren schoolboeken echter in ere. Wie langere teksten op papier leest, onthoudt volgens leerpsycholoog dr. Sander Vreeswijk, die al jaren onderzoek doet naar leesgedrag, meer van de inhoud dan wie dezelfde tekst op een scherm leest.

(2) Een papieren boek heeft bovendien eigenschappen waar een tablet het van moet afleggen: het meldt geen berichten, het raakt nooit leeg en het is vanaf de eerste bladzijde niets anders dan een boek. Zo'n boek is dus bij uitstek geschikt om je te concentreren.

(3) Wie denkt dat de overstap geld bespaart, rekent kort. Elke tablet moet na enkele jaren worden vervangen, de software wordt duurder en leerlingen zonder goed apparaat thuis raken achterop. De overstap is voor een school dus een slechte zet.

Eigen tekst voor Examenstof

Tekst bij vraagtype 2 (ongeveer 190 woorden). Alinea 1 autoriteit, alinea 2 kenmerk of eigenschap, alinea 3 voor- en nadelen. De leerpsycholoog is verzonnen.

Welk schema gebruikt de schrijver in alinea 2? Leg uit.

Modelantwoord (2 punten): kenmerk of eigenschap (1 punt); de schrijver noemt eigenschappen van het papieren boek (geen berichten, raakt nooit leeg) om te onderbouwen dat het geschikt is om je te concentreren, een andere eigenschap (1 punt). Verwachte fout: voor- en nadelen of oorzaak en gevolg.

Welk schema gebruikt de schrijver in alinea 3? Leg uit.

Modelantwoord (2 punten): voor- en nadelen (1 punt); de schrijver noemt nadelen van een voorgestelde actie, de overstap (vervangen tablets, duurdere software, achterstand), om de onwenselijkheid ervan te onderbouwen (1 punt). Verwachte fout: oorzaak en gevolg, omdat er gevolgen worden genoemd.

Citeer het autoriteitsargument (begin en eind).

Modelantwoord (1 punt): Wie langere ... scherm leest. De zin is de laatste van alinea 1. Verwachte fout: de zin ervoor, 'Een verstandige school ...', dat het standpunt is.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Vraagtype 3: bewering en volgorde

  • Een beweringenvraag geeft vier uitspraken over de tekst: kies de bewering die klopt

  • Een ordeningsvraag vraagt de schema's in de volgorde van de alinea's

  • Bepaal per alinea eerst het standpunt en dan het argument; neem je antwoord niet over uit een signaalwoord

Bij de beweringenvraag moet elke afleider bijna goed lijken: laat leerlingen per afleider aanwijzen wat er niet klopt.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Tekst 5: De vierdaagse werkweek

(1) Een bedrijf zou zijn personeel vier dagen per week moeten laten werken. Een vierdaagse werkweek zal het ziekteverzuim doen dalen, want wie uitgerust is, wordt minder snel ziek.

(2) Het is evenmin een luchtkasteel. Ontwerpbureau Lijnwerk, softwarehuis Brinkhout en reisbureau Zuidwind werken al jaren vier dagen en draaien goed.

(3) Een bezwaar is dat klanten op de vrije dag niet terechtkunnen. Dat valt te ondervangen door de vrije dag te laten rouleren, zodat de winkel zijn deuren geopend houdt. Het bezwaar weegt dus niet op tegen de winst.

(4) Arbeidspsycholoog dr. Lotte Heijnen, die onderzoek doet naar werkdruk, noemt de vierdaagse werkweek een van de weinige maatregelen die werkdruk werkelijk verlagen.

Eigen tekst voor Examenstof

Tekst bij vraagtype 3. Alinea 1 oorzaak en gevolg (een oorzaak onderbouwt een gevolg), alinea 2 voorbeelden, alinea 3 voor- en nadelen, alinea 4 autoriteit. Bedrijven en deskundige zijn verzonnen.

Welke bewering over de argumentatie klopt?

A

Alinea 1 gebruikt voor- en nadelen

B

Alinea 2 gebruikt een vergelijking

C

Alinea 3 gebruikt voor- en nadelen

D

Alinea 4 gebruikt oorzaak en gevolg

In alinea 3 wordt een nadeel genoemd en weggenomen, om de wenselijkheid van het voorstel te onderbouwen. Alinea 1 voorspelt een gevolg uit een oorzaak (oorzaak en gevolg), alinea 2 noemt drie bedrijven (voorbeelden), alinea 4 beroept zich op een deskundige (autoriteit). Verwachte fout: alinea 1 als voor- en nadelen, omdat het eerste standpunt een voorstel lijkt.

Zet de schema's op de volgorde van de alinea's

1

Voor- en nadelen

2

Oorzaak en gevolg

3

Autoriteit

4

Voorbeelden

Volgorde van de tekst: alinea 1 oorzaak en gevolg, alinea 2 voorbeelden, alinea 3 voor- en nadelen, alinea 4 autoriteit. Verwachte fout: alinea 1 als voor- en nadelen zetten.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Schema benoemen

2

Schema uitleggen

3

Citeren

4

Bewering kiezen of ordenen

Bespreek na de uitslag het lastigste vraagtype met een eigen voorbeeld.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S

Tips voor op het examen

  • Zoek altijd eerst het standpunt: dat bepaalt welk schema past, ook als het standpunt impliciet blijft

  • Een voorstel betekent niet altijd voor- en nadelen: beroept de schrijver zich op een deskundige, dan is het autoriteit

  • Een alinea kan meer dan één schema bevatten: kijk welke zin de vraag bedoelt

  • Noem bij een open vraag de naam van het schema en leg uit met een woord of zin uit de tekst

  • Controleer elke afleider: past hij echt bij wat het argument over het standpunt zegt?

Deze slide heeft geen instructies