Hygiëne les 2 Manieren van ziekteoverdracht en verschillende micro-organismen

Les 2 Manieren van ziekteoverdracht en verschillende micro-organismen
1 / 29
next
Slide 1: Slide
DierverzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Les 2 Manieren van ziekteoverdracht en verschillende micro-organismen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat weet je nog van vorige week?

Slide 2 - Mind map

Wat is hygiëne
Belang van hygiëne
Insleep / versleep
Besmetting / infecties
Besmettingsroutes
Werkblad 1 nakijken

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Vraag 1
Vul het juiste woord in.

Door reinigen en ontsmetten zorg je ervoor dat er minder ………………………… in de dierverblijven zijn.

  • Ziekteverwekkers

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Vraag 2
Vraag 2: Hygiëne is in de dierhouderij heel belangrijk. Noem drie punten waarin je het belang van hygiëne kan samenvatten.

  1. Preventie van dierziekten
  2. Volksgezondheid
  3. Productaansprakelijkheid

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Vraag 3
Wat betekent het als er sprake is van een hoge besmettingsdruk?


  • Als er sprake is van een hoge besmettingsdruk zijn er veel micro-organismen aanwezig in een ruimte.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Vraag 4
Wat betekent het als er sprake is van een hoge infectiedruk?


  • Als er sprake is van een hoge infectiedruk, dan zijn er veel zieke dieren aanwezig die ziekteverwekkers uitscheiden.


Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Vraag 5
Wat betekent insleep?


  • Het binnenkomen van ziekteverwekkers in een dierverblijf door bijv. medewerkers, bezoekers, voer en materialen.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Vraag 6
Wat betekent versleep?

  •  Het verspreiden van ziekteverwekkers binnen een bedrijf.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Vraag 7
Je gaat op bezoek bij een boerderij waar kippen gehouden worden.
Voordat je de stal ingaat loop je door een hygiënesluis waar kleding en laarzen
klaarstaan. Wat is hiervan het doel?

  • Insleep van ziekteverwekkers voorkomen.


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Vraag 8
Een week later ga je op bezoek bij een boerderij waar melkkoeien gehouden worden. Je trekt daar bedrijfskleding en laarzen aan, maar wanneer je naar de jongveestal gaat, staan daar andere schone laarzen klaar die je aan moet trekken. Waarom wordt dit gedaan?

  • Om versleep van ziekteverwekkers binnen het bedrijf te voorkomen, vooral om versleep naar de jongere dieren te voorkomen, omdat jongere dieren een minder goede afweer hebben en dus gevoeliger zijn voor infecties.





Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Vraag 9
Wat is het verschil tussen een besmetting en een infectie?


  • Wanneer een ziekteverwekker op of in het lichaam van een mens of dier komt, is er sprake van een besmetting. Een besmetting hoeft niet ervoor te zorgen dat een dier ziek wordt. Pas als de ziekteverwekker zich in het lichaam kan vermeerderen en het dier ziek wordt, is er sprake van een infectie.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Vraag 10
Noem twee plaatsen waar ziekteverwekkers het lichaam binnen kunnen dringen.

  • De slijmvliezen en open wonden (overal waar zich geen huid bevindt).

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Vraag 11
Via welke twee besmettingsroutes kunnen dieren besmet worden met een ziekteverwekker?

  • Via direct contact en via indirect contact.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Vraag 12
Noem van beide bovenstaande besmettingsroutes tenminste drie manieren waarop een besmetting kan plaatsvinden.

  • Bij direct contact wordt een dier besmet doordat het direct contact heeft met een ander besmet dier, bijvoorbeeld door elkaar te likken, aanraken, paren en van moeder op jongen of in de baarmoeder.
  • Een besmetting via indirect contact vindt plaats doordat het dier in aanraking komt met spullen die contact hebben gehad met een besmet dier of stoffen afkomstig van een besmet dier, zoals via ontlasting, urine, braaksel, speeksel, bloed, besmette materialen of stekende/bijtende parasieten. De dieren raken elkaar hierbij niet direct aan.









Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Besmetting en infectie
Besmetting = ziekteverwekker komt op/in het lichaam
Infectie = ziekteverwekker dringt binnen en vermeerdert

Niet elke besmetting → infectie

Infectieziekte = infectie veroorzaakt schade/ziekte
Bescherming = huid; zwakke plekken = wondjes & slijmvliezen

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Afweer bij infectie
Afweer tegen ziekteverwekkers

Infectie → lichaam reageert met afweersysteem

Afweersysteem = witte bloedcellen + antistoffen

Dit heet ook wel afweer / weerstand / immuniteit

Te veel ziekteverwekkers → afweer niet sterk genoeg → dier wordt ziek

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Ernst van infectieziekten
Niet alle infecties geven ernstige symptomen; sommige zijn mild of symptomeloos

Afhankelijk van:
  • Type ziekteverwekker
  • Plaats van infectie
  • Afweer / gezondheid van het dier

Belangrijke organen (longen, hersenen, nieren) → vaak ernstiger

Gezonde dieren → mild verloop; verzwakt afweersysteem → ernstig verloop

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Besmettingsroutes
Direct contact = van ziek dier → gezond dier (likken, wassen, snuffelen, paren…)

Indirect contact = via omgeving of materialen (ontlasting, urine, braaksel, speeksel, bloed, besmette voorwerpen, parasieten)

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Nieuwe lesstof

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Ziekteverwekkers
Ziekteverwekkers: micro-organismen die ziekten veroorzaken

Micro-organismen: organismen die onzichtbaar zijn met het blote oog
Vier verschillende micro-organismen: virussen, bacteriën, schimmels en protozoa (kleine parasieten). Daarnaast zijn er ook nog grote parasieten (zoals wormen).

Micro-organismen komen overal voor
De meeste micro-organismen zijn onschadelijk of zelfs nuttig (zoals darmbacteriën)
Sommige micro-organismen kunnen echter infectieziekten veroorzaken




Slide 21 - Slide

This item has no instructions

De meeste micro-organismen zijn onschadelijk of zelfs nuttig
A
Goed
B
Fout

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Werkvorm: 5 ziekteverwekkers

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Zoönosen
Zoönosen: ziekteverwekkers die overdraagbaar zijn van dier op mens en andersom en waarvan mensen ziek kunnen worden


Voorbeelden van zoönosen: 
  • salmonella 
  • COVID-19
  • hondsdolheid (rabiës)
  • ziekte van Lyme 
  • Q-koorts
  • kattenkrabziekte

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Noem maatregelen voor een goede persoonlijke hygiëne

Slide 25 - Mind map

Regelmatig je handen wassen (voor, na en tijdens het verzorgen en voordat je van diergroep of afdeling wisselt)
Geen sieraden dragen
Nagels kort, geen nepnagels, geen nagellak
Douchen en haren regelmatig wassen
Lang haar vastmaken
Wonden verzorgen en afdekken
Werkkleding en werkschoenen dragen
Kleding heet wassen
Handschoenen, haarnetje en mondkapje dragen
Niet eten of drinken in de dierverblijven
Geen mobiel meenemen naar de dierverblijven

Maatregelen persoonlijke hygiëne
  • Regelmatig je handen wassen (voor, na en tijdens het verzorgen en voordat je van diergroep of afdeling wisselt)
  • Geen sieraden dragen
  • Nagels kort, geen nepnagels, geen nagellak
  • Douchen en haren regelmatig wassen
  • Lang haar vastmaken
  • Wonden verzorgen en afdekken
  • Werkkleding en werkschoenen dragen
  • Kleding heet wassen
  • Handschoenen, haarnetje en mondkapje dragen
  • Niet eten of drinken in de dierverblijven
  • Geen mobiel meenemen naar de dierverblijven

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Huidflora
Huidflora = micro-organismen op de huid

Blijvende flora
  • Goede micro-organismen in diepe huidlagen
  • Beschermen tegen schadelijke soorten
  • Onder vetlaagje van de huid

Besmettingsflora
  • Komt van buiten (aanraking/omgeving)
  • Soms schadelijk → ziekteverwekkers
  • Te verwijderen met handen wassen & desinfecteren



Slide 27 - Slide

This item has no instructions

De huidflora bestaat uit de blijvende flora en de besmettingsflora
A
Goed
B
Fout

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Werkblad 2

Slide 29 - Slide

This item has no instructions