Filosofie - Plato

De tijdreis van de filosofie

Plato

ca. 427-347 v. Chr, Griekenland

1 / 5
suivant
Slide 1: Slide
newEditorLevensbeschouwingGeschiedenis+3BasisschoolMiddelbare schoolMBOISKPraktijkonderwijsGroep 6-8

Cette leçon contient 5 diapositives, avec quiz interactif et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 15 min

Introduction

Deze les is onderdeel van een serie korte filosofielessen. Zij zijn een laagdrempelige manier om de leerlingen kennis te laten maken met de grote filosofen. In de les is dat Plato. Wat was zijn filosofie, welke vragen stelde hij en om welke uitspraken werd hij bekend? De leerlingen maken kennis met filosofische vragen, gaan zelf filosoferen en trekken de uitspraken van oude filosoferen naar het nu. Hoe denken zij erover? Is het nu nog relevant? Laat ze vooral nadenken, twijfelen en ontdekken! In de notities staan bij sommige dia's verdiepende vragen of tips om er een volwaardige les van te maken.

Instructions

Probeer tijdens deze les je leerlingen op weg te helpen met sterke doorvragen.

1. Wat is een filosofische doorvraag
Het is een verdiepende vraag over wat de leerling net zei.
Het doel is niet: de leerling naar het “goede” antwoord leiden, maar om samen te onderzoeken wat de leerling bedoelt, waarom hij dat denkt en hoe hij dat kan onderbouwen. Oftewel:
- Denk niet: “Hoe krijg ik een beter antwoord?”
- Denk wel: “Hoe kan ik het kind helpen in zijn denkproces?"

2. De basis van een goede doorvraag
Goede doorvragen zijn:
  • Open (nodigen uit tot denken, geen ja/nee)
  • Nieuwsgierig (je wilt echt begrijpen wat het kind bedoelt)
  • Vertragend (je blijft even bij één gedachte, niet te snel naar de volgende)
  • Onderzoekend, niet beoordelend
3. Soorten doorvragen + voorbeeldzinnen
Hieronder vind je categorieën van doorvragen die goed werken bij kinderen (groep 6–8), met concrete voorbeelden die je direct kunt gebruiken in de klas.
  • Verhelderende doorvragen: Helpen om beter te begrijpen wat iemand bedoelt.
    “Wat bedoel je precies met …?”
    “Kun je dat uitleggen in andere woorden?”
    “Kun je een voorbeeld geven?”
    “Hoe weet je dat?”
    “Wat zou je bedoelen met ‘eerlijk’ (of ‘geluk’, ‘vrijheid’, …)?”
    Gebruik bij vage of grote woorden.
  • Onderzoekende doorvragen: Helpen om dieper te denken of een reden te vinden.
    “Waarom denk je dat?"
    "Wat maakt dat belangrijk voor jou?”
    “Zou iemand daar ook anders over kunnen denken?”
    “Wat zou er gebeuren als iedereen dat vond?”
    “Is dat altijd zo, of soms?”
    Gebruik bij overtuigingen of algemene uitspraken.
  • Doorvragen op tegenstellingen of uitzonderingen: Helpen om kritisch te denken en grenzen te verkennen.
    “Kan het ook anders zijn?”
    “Wat zou het tegenovergestelde zijn?”
    “Kun je een situatie bedenken waarin dat niet klopt?”
    “Wanneer zou het moeilijk zijn om dat te doen?”

    Gebruik als iemand iets heel stellig zegt.
  • Doorvragen op betekenis of waarde: Helpen om te onderzoeken waarom iets belangrijk is.
    “Waarom vind je dat belangrijk?”
    “Wat zegt dat over wat jij goed of slecht vindt?”
    “Is dat eerlijk voor iedereen, denk je?”
    “Wanneer is iets écht goed?”

    Gebruik bij morele of existentiële thema’s.
4. Praktische tips voor de docent
  • Luister traag – wacht 3 tellen voordat je reageert. Kinderen hebben tijd nodig om te denken.
  • Herhaal en spiegel – zeg bijvoorbeeld: “Dus jij zegt eigenlijk dat vrijheid betekent dat je zelf mag kiezen?” Dat laat zien dat je luistert en helpt anderen mee te denken.
  • Gebruik “waarom” spaarzaam – te vaak “waarom?” kan als ondervraging voelen. Wissel af met: “Hoe weet je dat?”, “Wat maakt dat zo?” of “Kun je dat uitleggen?”.
  • Blijf neutraal: reageer niet met “goed zo” of “dat klopt niet”, maar met: “Interessant dat je dat zegt, kun je dat toelichten?”
  • Laat leerlingen elkaar doorvragen: geef beurten en modelleer de houding. “Wie kan hierop doorvragen?”
Zo wordt het een écht filosofisch gesprek, geen Q&A met de docent.

5. Samenvattend ezelsbruggetje: “D-E-N-K”
Gebruik dit geheugensteuntje om tijdens een gesprek te onthouden hoe je doorvraagt:
D – Doorvragen: Blijf even bij één gedachte.
E – Exploreren: Onderzoek wat iemand bedoelt.
N – Nieuwsgierig: Stel vragen zonder oordeel.
K – Koppelen: Verbind ideeën van leerlingen met elkaar.

Éléments de cette leçon

De tijdreis van de filosofie

Plato

ca. 427-347 v. Chr, Griekenland

Cet élément n'a pas d'instructions

Plato was een nieuwsgierige jongen die graag de wereld wilde begrijpen.

Hij bewonderde Socrates enorm omdat hij hem niet leerde wát, maar hóe te denken. Al die vragen van Socrates vond Plato geweldig. Het hielp mensen beter na te denken.

De tijdreis van de filosofie

Socrates had leerlingen die van hem wilden leren denken. Een van deze leerlingen was Plato.

Socrates was voor Plato een groot voorbeeld en een echte filosoof. Na zijn dood vond Plato dat de ideeën van zijn leraar niet vergeten mochten worden.


Plato keek op een heel eigen manier naar de wereld. Hij dacht dat van alles wat we zien een 'perfecte oervorm' heeft.



Je hebt bijvoorbeeld heel veel soorten stoelen. Grote, kleine, mooie en lelijke. Volgens Plato zijn al die stoelen gemaakt naar het idee van de 'perfecte stoel', de oer stoel.


Plato schreef gesprekken op waarin Socrates de hoofdrol speelde.

Cet élément n'a pas d'instructions

1

Je kunt de wereld niet beter maken, als mensen zichzelf niet eerst verbeteren

2

Je kunt niet verlangen naar iets dat je niet kent

3

Grote mensen praten over ideeën. Kleine mensen praten over anderen.

Welke uitspraak van Plato vind jij

het mooist?

Bespreek met de leerlingen waarom een bepaalde uitspraak hen aanspreekt.
- Wat vinden ze er mooi aan?

- Wat betekent de uitspraak volgens hen?

- Het zijn al hele oude uitspraken. Maar vind je dat ze nog steeds van belang zijn?
- Wat is de betekenis van deze uitspraak in hun eigen leven?

- Pittige vraag: Snap waarom juist deze filosoof deze vraag heeft gesteld?

Wat denk jij?



Wat is een echte boom?

Deze vraag laat de leerlingen nadenken over 'Wat is een echte boom?'
Deze filosofische vraag is op verschillende manieren te benaderen:

- Zit het in de vorm van de boom?

- Zit het in de grootte?

- Moet een boom bladeren hebben? (En naaldbomen dan? Zijn dat nep bomen?)
Laat de leerlingen vrij praten zonder antwoorden af te wijzen, te ridiculiseren of inhoudelijk goed te keuren!

Daag de leerlingen uit elkaar met vragen uit de dagen en hun idee van een boom verder te beschrijven?
Na een aantal minuten kan je stoppen en uitleggen dat dit precies is wat Plato bedoelde; er zijn heel veel bomen, maar érgens is het idee 'boom' ontstaan uit die ene perfecte boom.
Tips:
- Komen de kinderen zelf niet vragen, stel ze dan zelf. Stapsgewijs leer je ze op die manier filosofisch na te denken, aan ideeën te twijfelen en de werkelijkheid te bevragen.
- Vraag de leerlingen een tekening te maken van een echte boom. Vergelijk de tekeningen. Zien we allemaal bomen? Zijn alle bomen hetzelfde? Lijken alle bomen op elkaar? Maar...wat is dan een échte boom!? zo kan je het filosofische gesprek opgang helpen.

- Teken een hele geabstraheerde boom (een driehoek boven op een klein vierkantje) en vraag aan de leerlingen wat je getekend hebt. Herkennen ze een boom? Is dit dan een échte boom? Niet? Maar...het is wél een boom, toch? Zo komt jouw filosofische gesprek ook op gang!

De tijdreis van de filosofie

Plato

ca. 427 - 347 v.Chr, Griekenland

Klik hier voor meer lessen over filosofie

Cet élément n'a pas d'instructions